ECLI:NL:GHAMS:2012:BV0456
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen wegens niet opgegeven buitenlands vermogen
Belanghebbende hield tussen 1992 en 2002 buitenlandse banktegoeden aan bij Duitse banken, welke hij niet had opgegeven in zijn belastingaangiften. De inspecteur legde navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen op, deels met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze aanslagen en boetes, waarna de rechtbank deels zijn beroepen gegrond verklaarde.
In hoger beroep stond de ontvankelijkheid van de beroepen centraal, waarbij het Hof oordeelde dat bezwaar tegen verhogingen vóór 1998 ook geldt voor de enkelvoudige belasting, maar bezwaar tegen boetebeschikkingen na 1998 niet. Het Hof stelde vast dat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat de navorderingsaanslagen binnen een aanvaardbaar tijdsverloop waren opgelegd, omdat de aanwijzingen waarop de verlengde navorderingstermijn was gebaseerd niet konden worden overlegd.
Daarom vernietigde het Hof de navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen die met de verlengde termijn waren opgelegd. Voor de boetes over de jaren 2000-2002, die binnen de reguliere termijn waren opgelegd, bevestigde het Hof de vergrijpboeten wegens opzet, maar matigde deze met 20% vanwege overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
Het Hof veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De uitspraak is gedaan door de vierde meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 5 januari 2012.
Uitkomst: Navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen met verlengde navorderingstermijn vernietigd, boetes over 2000-2002 gematigd wegens overschrijding redelijke termijn.