ECLI:NL:GHAMS:2012:BW1425
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- M.P. van Achterberg
- G.B.C.M. van der Reep
- D.J. Oranje
- Rechtspraak.nl
Hof bevestigt dat voordeel uit eerdere leaseovereenkomsten in mindering komt op restschulden bij effectenlease
In deze civiele procedure in hoger beroep staat de vraag centraal of bij effectenleaseovereenkomsten het voordeel uit eerdere leaseovereenkomsten eerst in mindering moet worden gebracht op betaalde rente en aflossing of op de restschuld. Het hof bouwt voort op eerdere arresten en volgt het arrest van de Hoge Raad van 29 april 2011, waarin is geoordeeld dat bij de beoordeling van een onaanvaardbaar zware financiële last een algemene formule mag worden gehanteerd, mits ruimte blijft voor individuele omstandigheden.
De wederpartij stelde dat de vuistregel van het hof onvoldoende rekening houdt met de situatie dat een restschuld ineens moet worden voldaan bij tussentijdse beëindiging. Dit verweer faalt omdat de Hoge Raad heeft bevestigd dat alle verplichtingen tot de overeengekomen einddatum moeten worden meegewogen. Ook het betoog dat rekening gehouden had moeten worden met daling van het inkomen gedurende de looptijd wordt verworpen.
Het hof volgt het arrest van de Hoge Raad dat het batig saldo uit eerdere leaseovereenkomsten in mindering dient te worden gebracht op de restschuld en niet eerst op betaalde rente en aflossing. Omdat het batig saldo hoger is dan de totale restschuld, rust op Dexia geen schadevergoedingsplicht en dient de wederpartij de restschuld aan Dexia te voldoen.
De overige grieven worden verworpen en de wederpartij wordt veroordeeld in de proceskosten van alle instanties. Het hof vernietigt het bestreden vonnis voor zover in reconventie gewezen en wijst de vordering van Dexia alsnog geheel toe.
Uitkomst: De wederpartij wordt veroordeeld tot betaling van de restschuld van €29.715,09 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 juli 2007.