ECLI:NL:GHAMS:2012:BW5860
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- H.E. Kostense
- J. den Boer
- A.M.J.G. van Amsterdam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat bodemloze-put-leningen informeel kapitaal zijn en niet afwaarderbaar binnen resultaat uit overige werkzaamheden
Belanghebbende had in de jaren 2000 tot en met 2002 meerdere leningen verstrekt aan [A] B.V., die deze leningen direct doorleende aan haar dochtervennootschap [B] B.V. Deze dochteronderneming kampte met financiële problemen nadat een voorgenomen joint venture in 1999 niet doorging, wat leidde tot negatieve resultaten en een negatief eigen vermogen. De inspecteur kwalificeerde deze leningen fiscaal als bodemloze-put-leningen, oftewel informele kapitaalstortingen, en weigerde de afwaardering ervan ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden toe te staan.
De rechtbank had het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof stelt vast dat het voor belanghebbende bij het verstrekken van de leningen al duidelijk moest zijn dat terugbetaling niet zou plaatsvinden, waardoor sprake is van een bodemloze-put-lening. De positieve toekomstverwachtingen van belanghebbende werden niet aannemelijk gemaakt en de terbeschikkingstellingsregeling laat geen ruimte voor afwaardering van informeel kapitaal binnen het resultaat uit overige werkzaamheden.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de inspecteur over 2005 geen bewust standpunt had ingenomen en de discussie over 2003 nog liep. Het hof bevestigt de verliesvaststelling van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de leningen bodemloze-put-leningen zijn en wijst het hoger beroep af.