ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ1624
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek ter voorkoming dubbele belasting en renteaftrek buitenlandse onroerend goed participaties
Belanghebbende had in zijn aangiften over 2005 en 2006 aftrek elders belast in box 3 geclaimd voor participaties in buitenlandse onroerende zaken, voornamelijk in de Verenigde Staten, en renteaftrek in box 1 voor 2006. De inspecteur had deze aftrek grotendeels geweigerd wegens overfinanciering met vreemd vermogen en beperkte de renteaftrek tot een praktisch bedrag.
De rechtbank had het beroep van belanghebbende grotendeels afgewezen en het Gerechtshof bevestigt deze uitspraak. Het hof oordeelt dat de bewijslast voor de omvang van de aftrek bij belanghebbende ligt, die niet kon aantonen dat de buitenlandse participaties met eigen vermogen waren gefinancierd. De voorgestelde pro rata-methode van belanghebbende werd onvoldoende onderbouwd en kon de bewijslast niet verleggen.
Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de inspecteur de aangiften zonder inhoudelijke beoordeling had gevolgd, waardoor geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontstaan. De renteaftrek in box 1 werd eveneens beperkt tot het door de inspecteur geaccepteerde bedrag.
Het hof bevestigt dat de inspecteur terecht geen aftrek elders belast heeft verleend en de renteaftrek correct heeft vastgesteld. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslagen met beperkte aftrek worden bevestigd.