ECLI:NL:GHAMS:2013:2432
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere rechterlijke schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in belastinggeschil
In deze bestuursrechtelijke zaak stond centraal of belanghebbende recht had op een hogere immateriële schadevergoeding en een kostenvergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in belastinggeschillen. De rechtbank had reeds een schadevergoeding van €500 toegekend en geen kostenvergoeding toegewezen.
Het hof oordeelde dat de redelijke termijn in beide zaken met ongeveer een half jaar was overschreden, maar dat rekening moest worden gehouden met twee niet-succesvolle wrakingsverzoeken van belanghebbende, waardoor een langere termijn redelijk was. De toegekende schadevergoeding van €500 werd als passend beschouwd, zonder aanleiding tot verhoging.
Ten aanzien van de kostenvergoeding stelde het hof vast dat de verleende bijstand niet verder ging dan het maken van aantekeningen en het indienen van door belanghebbende zelf geschreven stukken, waardoor geen sprake was van rechtsbijstand in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarom werd geen kostenvergoeding toegekend.
De hogere beroepen werden ongegrond verklaard en de uitspraken van de rechtbank werden met verbetering van gronden bevestigd. Het hof benadrukte de toepasselijkheid van relevante wettelijke bepalingen en jurisprudentie omtrent redelijke termijnen en schadevergoeding.
Uitkomst: De hogere beroepen worden ongegrond verklaard en de door de rechtbank toegekende immateriële schadevergoeding van €500 wordt bevestigd zonder kostenvergoeding.