Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Het oordeel van de rechtbank
“Onroerende zaken die in gebruik zijn als woning, worden in aanmerking genomen naar de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die onroerende zaken vastgestelde waarde voor het kalenderjaar waarin de verkrijging plaatsvindt. (…)”
Het voorgestelde vijfde lid ziet alleen op onroerende zaken die als woning in gebruik zijn. De reden hiervoor is dat het voor de heffing van schenk- en erfbelasting in het overgrote deel van de gevallen gaat om woonhuizen. (…)”
het Hof vult aan: volgende op het jaar) van verkrijging voor de WOZ vastgestelde waarde in aanmerking te nemen -, ook op haar situatie van toepassing moet zijn, overweegt de rechtbank het volgende. Eiseres heeft daartoe aangevoerd dat daarmee de schending van het ‘principle of fair balance’ kan worden rechtgetrokken. Hiervoor heeft de rechtbank echter geoordeeld dat van schending van dit beginsel in het onderhavige geval geen sprake is. Haar stelling kan haar ook overigens niet baten nu de wetgever er niet voor heeft gekozen aan die bepaling terugwerkende kracht te verbinden.
5.Standpunten van partijen
6.Beoordeling van het geschil
“In het voorgestelde vijfde lid wordt voorgesteld de waarde van onroerende zaken die als woning in gebruik zijn, te stellen op de waarde die is vastgesteld op grond van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ-waarde). Het gebruik van de WOZ-waarde leidt tot een belangrijke vereenvoudiging in de uitvoering, zowel voor de Belastingdienst als voor de belastingplichtigen. Voor deze vereenvoudiging is essentieel dat de WOZ-waarde in zoveel mogelijk gevallen wordt gebruikt en dat daarmee discussies over de waarde worden vermeden. Daarom is, behoudens bij verhuurde panden (zie de toelichting bij het zesde lid), geen tegenbewijs toegelaten.