Uitspraak
GEMEENTE BEVERWIJK,
[GEÏNTIMEERDE],
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
grief II en een onderdeel van grief IV in principaal appelbetoogt de gemeente dat de rechtbank in de overweging 4.10 en 4.13 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat de erfdienstbaarheid ertoe strekt (de eigenaar van) het heersend erf (verder, kort gezegd: [het landgoed]), de mogelijkheid te geven om de wijze van inrichting van het gebied grenzend aan [het landgoed] – en daarmee het zicht vanuit [het landgoed] – mede te bepalen en dat de rechtbank (daarmee) eveneens ten onrechte heeft geoordeeld dat de onderhavige erfdienstbaarheid meer inhoudt dan een (inmiddels als gevolg van de feitelijke wijzigingen van het terrein tenietgegaan) recht van uitzicht en/of een strikt verbod om te bouwen of te beplanten. Meer concreet wijst de gemeente erop dat het onteigeningsvonnis van 1866 spreekt van een erfdienstbaarheid van uitzicht en slechts een schadevergoeding toekent voor het verlies van uitzicht. Volgens haar is in de akte van 1780 de erfdienstbaarheid geformuleerd als een verbod om zonder toestemming van [het landgoed] te beplanten of te betimmeren omdat een erfdienstbaarheid nu eenmaal als een verplichting om te dulden of niet te doen moet worden vastgelegd. Het ging destijds echter om het vrije uitzicht vanuit [het landgoed] (waarvan inmiddels niets over is) en niet om het hebben van invloed op de inrichting van het gebied. Volgens de gemeente is de rechtbank in haar uitleg van de inhoud van de erfdienstbaarheid bovendien niet consistent doordat zij in overweging 4.10 oordeelt dat de erfdienstbaarheid ertoe strekt [het landgoed] invloed te geven op de wijze van inrichting van het dienend erf maar in overweging 4.13 opmerkt dat de stichting mag opkomen voor het belang van het zicht vanuit [het landgoed]. Door te overwegen dat het goedkeuringsrecht van de stichting geen absoluut vetorecht is en in redelijkheid moet worden uitgeoefend heeft de rechtbank, ten slotte, een situatie van rechtsonzekerheid gecreëerd omdat tussen partijen voortdurend discussie zal ontstaan over de vraag of sprake is van redelijke uitoefening door de stichting van haar goedkeuringsrecht, aldus de gemeente.
voor zoverde uitoefening daarvan door die toestand is belet. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien hoe de uitoefening van de onderhavige erfdienstbaarheid, die betrekking heeft op (nog) te planten en te bouwen/aan te leggen zaken, zou kunnen worden belet door in het verleden in strijd met de onderhavige erfdienstbaarheid aangebrachte beplantingen en bebouwingen. De grieven falen dus (wat betreft grief IV: in zoverre).
grief VI in principaal appelkomt de gemeente op tegen het feit dat de rechtbank niet heeft beslist op de in haar akte na comparitie (als gevolg van een eiswijziging) meer subsidiair geformuleerde eis onder 2, te weten dat de stichting wordt veroordeeld, kort gezegd, te gedogen dat onder het stationsplein een ondergrondse parkeergarage wordt aangelegd. De
grief in incidenteel appelstrekt ten betoge dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld, kort gezegd, dat de erfdienstbaarheid op een kleiner deel van perceel 10093 rust dan de stichting meent dat het geval is.