ECLI:NL:GHAMS:2014:6048
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Effectenportefeuille behoort niet tot ondernemingsvermogen; beroep op vertrouwensbeginsel afgewezen
Belanghebbende, een juridisch adviseur, voerde in zijn aangifte inkomstenbelasting over 2008 een koersverlies op aandelen op als aftrekpost. De inspecteur weigerde deze aftrek omdat de aandelen niet tot het ondernemingsvermogen zouden behoren. De rechtbank stelde dat beleggingen van risicovolle aard buiten de normale bedrijfsuitoefening vallen en dat geen sprake was van belegging van tijdelijk overtollige liquide middelen. Belanghebbende voerde aan dat de aandelen wel tot het ondernemingsvermogen behoorden en deed een beroep op het vertrouwensbeginsel.
Het Hof onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de beleggingen niet binnen de normale bedrijfsuitoefening vielen, mede omdat belanghebbende geen aannemelijk bewijs leverde dat zijn werkzaamheden verder gingen dan juridische dienstverlening. Ook was er geen sprake van tijdelijk overtollige liquide middelen die tijdig weer beschikbaar zouden zijn voor de onderneming. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat hij de waardevermindering uitdrukkelijk en gemotiveerd bij de Belastingdienst had aangekaart.
Het Hof bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werden geen kosten aan een partij toegewezen. De uitspraak kan binnen zes weken worden aangevochten bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het Hof bevestigt dat de aandelenportefeuille niet tot het ondernemingsvermogen behoort en wijst het beroep op het vertrouwensbeginsel af.