Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde en de daarbij behorende aanslag onroerende-zaakbelastingen. Na gedeeltelijke vermindering van de waarde kende de heffingsambtenaar een kostenvergoeding toe, exclusief BTW. Belanghebbende stelde beroep in tegen de hoogte van de kostenvergoeding, waarna de heffingsambtenaar alsnog de BTW vergoedde. Belanghebbende trok daarop het beroep in en verzocht de rechtbank om proceskostenvergoeding in de beroepsfase toe te kennen, wat werd afgewezen.
In hoger beroep stelde het Hof vast dat het instellen van beroep niet uitsluitend aan belanghebbende te wijten was, mede omdat de communicatie over de kostenvergoeding onduidelijk was. Het Hof oordeelde dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van proceskosten in beroep en stelde het bedrag vast volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een lagere wegingsfactor vanwege de lichte aard van het geschil.
Het Hof vernietigde het vonnis van de rechtbank, wees het verzoek tot vergoeding van proceskosten toe en veroordeelde de heffingsambtenaar tot betaling van een totaalbedrag van € 365,25 aan proceskosten en € 160 aan griffierechten. De uitspraak werd gedaan door het Hof Amsterdam op 13 maart 2014.