ECLI:NL:GHAMS:2015:1237
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende naleving verplichtingen
Appellante verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling nadat de rechtbank Noord-Holland haar verzoek had afgewezen. Zij stelde dat haar schulden vooral voortvloeiden uit haar vorige huwelijk en dat zij inmiddels haar financiën beter onder controle had, mede door ondersteuning van Budgetbeheer en het scheiden van inkomsten van pleegkindvergoeding.
Het hof oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zou kunnen nakomen. De financiële situatie van appellante en haar partner was onvoldoende inzichtelijk en stabiel. De omgang met de pleegkindvergoeding was niet gescheiden en de bankafschriften toonden onoverzichtelijke geldstromen. Daarnaast was de recente schuld aan Essent niet afgedekt door reserves.
De positieve ontwikkelingen waren van te recente datum om te kunnen concluderen dat de situatie voldoende was gestabiliseerd. De hardheidsclausule uit artikel 288, derde lid, Faillissementswet was niet van toepassing omdat de afwijzing niet op een van de daarin genoemde gronden was gebaseerd.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en gaf appellante de mogelijkheid om in een later stadium, wanneer haar financiële situatie stabieler is, opnieuw een verzoek tot toelating in te dienen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling af wegens onvoldoende aannemelijkheid van nakoming verplichtingen.