Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
gemachtigde: mr. H.P.G.M. Corbeek (BDO accountants & belastingadviseurs) te Arnhem, hierna: de gemachtigde,
1.1. Ontstaan en loop van het geding
- bepaald dat de inspecteur de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig vermindert.
2.2. Feiten
€ 61.000). De overeenkomst met de huurder is op 15 maart 2004 gesloten en heeft een looptijd van 10 jaar. Tot de gedingstukken behoort een brief van 25 maart 2004 van een Zwitserse Treuhandgesellschaft aan [H], waarin een waardering van het hotel op basis van de fiscale praktijk in het Zwitserse kanton Schwyz wordt gegeven. De waarde van het hotel wordt door middel van huurwaardekapitalisatie berekend op 100/7,2 x 96.100 = CHF 1.334.000 (ongeveer € 846.000).
3.511 0
19 2.500
Wij hebben vervolgens de heer [F] benaderd om deze optie voor te leggen. Wij hebben aan de heer [F] uitgelegd dat dit ook een mogelijkheid was en dat hij dan de eventuele vervangende investeringen ook vanuit privé kon gaan doen. De heer Winter heeft toen aangegeven dat hij dit alternatief wel wilde overwegen / aangaan mits dit fiscaal zou kunnen, aangezien hij het alternatief van andere investeringen in de komende acht maanden nog niet had opgegeven.
Vervolgens hebben wij ons bezig gehouden met voorbereiding van de levering en het inbouwen van een zo groot mogelijke zekerheid voor de heer [F]. Dit bestond enerzijds uit controle van de vervangende investering voor [I bv] en anderzijds uit de gegoedheid van de koper van de aandelen.”
Mijn gemachtigde kwam met een kandidaat om de BV over te nemen. Ik heb nog gevraagd of het niet handiger was om toch een ander onroerend goed in te brengen en de BV te houden, maar de aktes lagen toen al klaar. Ik wist niet eens dat het om een hotel ging. De koper wilde dat graag hebben (…).
(…)
De gemachtigde van eiseres verklaart:
Daarnaast is de herinvesteringstreserve diverse malen terloops ter sprake gekomen. De directie heeft hieromtrent telkens aangegeven op zoek te zijn naar vervangingsmogelijkheden. Een vrijval van de herinvesteringsreserve vonden wij geen acceptabel vooruitzicht (…).”
(…)
In maart 2004 heeft de heer [K] van [G bv] contact met [B] gezocht. Of hij in dienst was van [G bv] weet ik niet. Ik weet wel dat hij optrad namens [G bv] Hij vroeg mij of wij nog hir-bv’s hadden in ons klantenpakket omdat [G bv] geïnteresseerd was om deze te kopen. De reden dat hij deze wilde kopen was om de hir te kunnen benutten.
Ik had een dergelijke transactie al eerder met de heer [K] gedaan.
De transacties gaan niet altijd hetzelfde, maar ik wist wat de bedoeling was. Ik weet niet meer op welk moment hij gezegd heeft dat het om een hotel ging waarop de hir zou worden afgeboekt. Ik denk niet dat het in het eerste gesprek is geweest, maar in het tweede gesprek wellicht wel.
(…)
De heer [F]
(…)
Ik wist amper dat het om een hotel ging. Mij maakte het niet veel uit. Ik had er weinig betrokkenheid bij. Ik beschouwde het als een fiscale kwestie waar ik weinig verstand van had en wat ik heb overgelaten aan mijn adviseur. [I bv] was een bv die was overgebleven. De bv had te maken met verwerving van een stuk grond waarop een project gerealiseerd zou gaan worden. Nadat het project was gerealiseerd, bleef de bv over.”
3.Geschil in hoger beroep
2004; hierna: de Wet), en
(b) of het leerstuk van fraus legis meebrengt dat de gevormde herinvesteringsreserve aan de
winst moet worden toegevoegd.
4.4. Beoordeling van het geschil
- voorafgaande aan die wijziging de aanwending van de herinvesteringsreserve vanuit materieel oogpunt heeft plaatsgevonden door de nieuwe houder van dat belang,
- het doorslaggevende oogmerk van dit samenstel van (rechts)handelingen is de wettelijke regeling van artikel 15e van de Wet te ontgaan, doel en strekking van artikel 15e van de Wet op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien door dat samenstel van handelingen vrijval van de herinvesteringsreserve zou kunnen worden voorkomen. Het oordeel van het Hof dat in een zodanig geval geen sprake is van strijd met doel en strekking van de wet, berust daarom op een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt in zoverre.
4.2.2. De inspecteur heeft gesteld dat het arrest voor de stelling dat is voldaan aan de beleggingstoets van artikel 15e van de Wet geen ruimte laat, gelet op hetgeen daarover in r.o. 3.6 van het arrest is overwogen.
€ 301.729 (= € 874.576 x 34,5%) bij behoud van [I bv] (indien althans niet een geschikte herinvestering zou zijn gevonden) € 58.950 als vrijgesteld deelnemingsresultaat te genieten ter zake van de verkoop van [I bv].
Deze vordering wenst belanghebbende per einde van het jaar 2004 tot nihil af te waarderen, omdat er met de kennis die bestond op het moment van het indienen van de aangifte vennootschapsbelasting 2004 er al dusdanige aanwijzingen waren dat die vordering niet geïnd zou kunnen worden, dat een volledige afwaardering van die vordering in 2004 is toegestaan. Belanghebbende acht het, ondanks de fase waarin de rechtsstrijd zich na verwijzing bevindt, geoorloofd om deze subsidiaire stelling in te nemen, omdat volgens haar de Hoge Raad met het arrest is omgegaan, zowel door te beslissen dat de beleggingstoets van artikel 15e, eerste lid, van de Wet moet worden toegepast op het niveau van de (gevoegde) dochter die de herinvesteringsreserve heeft gevormd, als door in een geval als het onderhavige toepassing van het leerstuk fraus legis mogelijk te achten. Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde in dit verband nog het volgende verklaard:
Ook overigens is naar het oordeel van het Hof geen sprake van een situatie waarin van belanghebbende redelijkerwijs niet had kunnen worden verwacht dat zij haar subsidiaire stelling reeds voor de rechtbank dan wel het gerechtshof Arnhem naar voren zou hebben gebracht.
Het Hof is derhalve van oordeel dat de subsidiaire stelling van belanghebbende, welke onder meer een nader onderzoek van de feiten zou vergen, geen behandeling behoeft.
4.4.4. Voorts is het Hof van oordeel dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen belanghebbende en [I bv] een afspraak bestond ter verrekening van eventueel door belanghebbende bij een vrijval van de herinvesteringsreserve verschuldigde vennootschapsbelasting, en evenmin dat – zo een dergelijke afspraak zou hebben bestaan – beoordeeld naar feiten en omstandigheden die zich op balansdatum hebben voorgedaan (en mogelijk eerst bij het doen van aangifte aan belanghebbende bekend waren) een afwaardering naar nihil van de desbetreffende vordering naar maatstaven van goedkoopmansgebruik zou zijn toegestaan. Ook op deze grond faalt derhalve de subsidiaire stelling van belanghebbende.
5.Kosten
6.Beslissing
- verklaart het hoger beroep van de inspecteur gegrond;
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, en
- verklaart het beroep bij de rechtbank ongegrond.
schade, vastgesteld op € 1.000.