ECLI:NL:GHAMS:2015:2891
Gerechtshof Amsterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid civiele rechter bij executiegeschil terugvorderingsbesluit gemeente Amsterdam
Appellanten, echtelieden die een uitkering ontvingen op grond van de Wet Werk en Bijstand, werden geconfronteerd met een terugvorderingsbesluit van de gemeente Amsterdam wegens het bezit van vermogen in Turkije. De gemeente had de uitkering ingetrokken en een bedrag teruggevorderd. Appellanten maakten bezwaar en beroep, waarbij de rechtbank hun beroep ongegrond verklaarde. In een kort geding werd een verstekvonnis gewezen dat de gemeente verbood de executie van het terugvorderingsbesluit voort te zetten totdat bezwaar en beroep waren afgewikkeld.
De gemeente stelde verzet in tegen het verstekvonnis, dat door de voorzieningenrechter werd verworpen. Het hof oordeelt dat de civiele rechter niet bevoegd is kennis te nemen van het geschil zolang geen dwangbevel is uitgevaardigd, hetgeen een voorwaarde is voor civiele executie. De enkele toezending van een kopie van het verstekvonnis aan de gemeente vormt geen daad van bekendheid die de verzetstermijn doet aanvang nemen.
Het hof vernietigt het bestreden vonnis voor zover het voorzieningen bevat en verklaart de civiele rechter onbevoegd. Tevens oordeelt het hof dat er geen spoedeisend belang is bij de vordering van appellanten, omdat de gemeente nog geen aanmaning tot betaling heeft gestuurd. Appellanten worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof verklaart de civiele rechter onbevoegd en vernietigt het bestreden vonnis voor zover het voorzieningen bevat.