Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
Vervuilingswaarde van woonruimten
Kamerstukken II2003/04, 29 612, nr. 7, blz. 3) is namelijk opgemerkt dat dit voorschrift aansluit bij (het toenmalige) artikel 21, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: WVO). Dit betekent volgens de heffingsambtenaar dat uitsluitend terreinen waarvan de eigendom van de grond en opstallen in één hand zijn, kunnen worden aangemerkt als een terrein in de zin van artikel 19, tweede lid, van de Verordening. De twaalf recreatiewoningen op de legakkers zijn dan ook als afzonderlijke objecten in de zin van de Wet WOZ aangemerkt en als zodanig in de heffing van lokale belastingen betrokken. Bovendien kunnen de twee legakkers met het omringende water volgens de heffingsambtenaar alleen al niet tezamen als één terrein worden aangemerkt in de zin van artikel 19, tweede lid, van de Verordening, omdat zij worden doorsneden door de onder 2.5 vermelde strook water, waarvan de ondergrond in eigendom is van het Hoogheemraadschap AGV. Ook los daarvan zijn de twee losse legakkers met het omringende water onvoldoende duidelijk met hekken of soortgelijke markering van de omgeving afgescheiden om te kunnen spreken van één voor verblijfsrecreatie bestemd terrein, aldus de heffingsambtenaar.
Kamerstukken II1987/88, 20 435, nrs. 1-2):
Kamerstukken II1987/88, 20 435, nr. 3, blz. 4-5):
Kamerstukken II1987/88, 20 435, nr. 7, blz. 7-8):
Kamerstukken II1987/88, 20 435, nr. 8):
Kamerstukken II1998/99, 26 367, nr. 3, blz. 11):
Kamerstukken II1998/99, 26 367, nr. 5, blz. 10):
Kamerstukken II2005/06, 30 601, nr. 3, p. 58):
Kamerstukken II2003/04, 29 612, nr. 7, blz. 2-3):