Belanghebbende had beroep ingesteld tegen een WOZ-beschikking en de daarbij behorende gecombineerde gemeentelijke aanslag. Na gedeeltelijke tegemoetkoming door de heffingsambtenaar trok belanghebbende het beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten.
De rechtbank wees dit verzoek af omdat zij oordeelde dat het inschakelen van rechtsbijstand niet redelijk was, aangezien belanghebbende de kwestie ook telefonisch had kunnen afhandelen. De heffingsambtenaar wijzigde later zijn standpunt en gaf aan geen bezwaar te hebben tegen vergoeding van de proceskosten.
In hoger beroep oordeelt het Hof dat de heffingsambtenaar aan zijn eerdere standpunt gebonden is en dat het beroep gegrond is. Het Hof overweegt dat het inroepen van rechtsbijstand niet onredelijk was gezien de aard van het geschil en het belang van de zaak, ook al ging het om een relatief klein bedrag.
Het Hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank, wijst het verzoek tot proceskostenvergoeding toe en veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 735 aan proceskosten en € 160 aan griffierechten. De uitspraak is gedaan door de belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 12 maart 2015.