Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Tussen partijen vaststaande feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Het oordeel van de rechtbank
5.Beoordeling van het geschil
wélis verhuisd naar Nederland en de belastingplichtige in de casus in het hiervoor geciteerde arrest
niet. Het Hof komt tot dat oordeel omdat het door belanghebbende gemaakte onderscheid kennelijk noch voor het HvJ, noch voor de Hoge Raad van (doorslaggevend) belang was. Weliswaar herhaalt het HvJ in punt 27 van het arrest Sopora dat de Nederlandse wetgever ervan is uitgegaan dat personen die op meer dan 150 km van de Nederlandse grens wonen vanwege de afstand niet zullen gaan forenzen, maar ertoe zullen overgaan naar Nederland te verhuizen, en als gevolg van die verhuizing geconfronteerd zullen worden met extra kosten, maar het HvJ verbindt hieraan niet het gevolg dat verhuizers steeds (dus ook als zij binnen de 150-kilometerlijn zouden wonen) recht zouden moeten hebben op toepassing van de regeling. Anders uitgedrukt: verhuizen of niet verhuizen, is voor het HvJ niet de factor die bepalend is voor het antwoord op de vraag of met betrekking tot de voorwaarden voor toepassing van de 30%-regeling sprake is van een indirecte discriminatie of belemmering van het vrije verkeer van werknemers. Bepalend is, volgens het HvJ, uitsluitend of de 30%-regeling “systematisch aanleiding geeft tot een duidelijke overcompensatie van de werkelijk gemaakte extraterritoriale kosten” en die overcompensatie doet zich volgens de Hoge Raad in zijn arrest van 4 maart 2013 (zie 5.1.1) niet voor.
nietvoldoen aan het 150-criterium, geen recht hebben op de 30%-regeling,
wélrecht hebben op de 30%-regeling (omdat ze
óókaan het 150-criterium voldoen).
nooitin het nadeel werkt van voornoemde werknemers (Hof: te weten “een in een andere lidstaat aangeworven werknemer die niet voldoet aan de voorwaarde dat hij op meer dan 150 kilometer van de Nederlandse grens woonachtig is”). Indien de werkelijk gemaakte extraterritoriale kosten het forfaitaire plafond van 30% overschrijden, staat het hun immers vrij om, zelfs wanneer de voor toepassing van de forfaitaire regeling vastgestelde voorwaarden zijn vervuld, een belastingvrijstelling van de vergoeding wegens extraterritoriale kosten te verkrijgen, mits zij passende bewijsstukken overleggen.”
een zekere grofheidkent, op zichzelf geen indirecte discriminatie of belemmering van het vrij verkeer van werknemers vormen. Dit geldt a fortiori wanneer, zoals in casu,
de forfaitaire regeling in het voordeel werkt van de ervoor in aanmerking komende werknemers,doordat zij het aantal administratieve stappen dat die werknemers moeten ondernemen om belastingvrijstelling te verkrijgen voor de vergoeding wegens extraterritoriale kosten, aanzienlijk vermindert.”