Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
gemachtigde: mr. J.K.A. van Loo (Labré advocaten) te Amsterdam,
1.Ontstaan en loop van het geding
2.2. Feiten
Eind 2001 is het Rekeningenproject van start gegaan.
2. Zo ja, wat was het saldo (…) op 1 januari en 31 december 2009?
3. Zo nee, waar wordt het eerder op de KBL-rekening gestalde vermogen in 2009 aangehouden?
4. Wat was het saldo van die andere rekeningen op 1 januari en 31 december 2009?
5. Indien niet langer vermogen in het buitenland wordt aangehouden, wanneer en op welke binnenlandse rekening is dit vermogen gestort of wanneer en waarvoor is het aangewend?
6. Heeft u nog andere buitenlandse bankrekeningen, waar geen opgaaf van gedaan is?
7. Ik verzoek u de bescheiden met betrekking tot de buitenlandse rekening(en) (in kopie) voor deze jaren te overleggen.”
3.3. Geschil in hoger beroep
4.4. Beoordeling van het geschil
In casu is de rechtbank van oordeel dat, gelet op het feit dat er slechts één persoon in Nederland woonachtig blijkt te zijn met de achternaam [C] en de voorletter [A ] , hetgeen eiser naar voren heeft gebracht onvoldoende is om te twijfelen aan het door verweerder geleverde bewijs dat eiser de rekeninghouder is geweest.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld door ten aanzien van de onderhavige jaren vragen te stellen, terwijl over eerdere jaren nog beroepsprocedures bij de rechtbank lopen. Iedere belastingaanslag staat op zichzelf en ten aanzien van ieder jaar dient beoordeeld te worden of verweerder gerechtigd is een informatiebeschikking af te geven. Evenmin is sprake van schending van het beginsel van détournement de pouvoir. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat er, ook voor de jaren 2009 en 2010, een potentieel fiscaal belang van voldoende omvang ten aanzien van eiser is bij kennisname van de gevraagde gegevens. Voor het door eiser geuite vermoeden dat verweerder de vragen heeft gesteld met het oog het bewijs rond te krijgen voor de jaren vóór 2009, heeft de rechtbank dan ook geen enkele aanleiding.
Voorts wijst belanghebbende erop dat de navorderingsaanslagen 1994, 1995 en 1996 door de inspecteur zijn vernietigd, zodat er ook in zoverre geen grond bestaat voor de genomen informatiebeschikkingen.
Nu belanghebbende de gevraagde gegevens en inlichtingen niet heeft verstrekt, geldt als uitgangspunt dat hij niet heeft voldaan aan de op hem krachtens artikel 47 AWR Pro rustende verplichting, zodat de inspecteur terecht een informatiebeschikking heeft gegeven. Op dit uitgangspunt bestaan uitzonderingen. Indien een belastingplichtige niet beschikt, en ook redelijkerwijs niet kan beschikken, over de gegevens en inlichtingen die de inspecteur van hem vraagt, kan niet gezegd worden dat hij door het niet-verschaffen van die gegevens of inlichtingen de in artikel 47 AWR Pro neergelegde verplichting schendt. Belanghebbende beroept zich in wezen op die uitzondering, nu hij ontkent rekeninghouder te zijn (geweest). Het ligt dan op de weg van belanghebbende om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken op grond waarvan genoemde uitzondering van toepassing kan worden geacht.
Daartoe acht het Hof de enkele ontkenning door belanghebbende van de gerechtigdheid tot de rekeningen niet toereikend; het Hof acht deze ontkenning niet geloofwaardig.
Genoemde uitzondering doet zich dan ook niet voor.