Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 april 2015 in de zaken tussen
[X], wonende te [Z], eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
f44.240. In de navorderingsaanslag is een verhoging begrepen van ƒ 44.240, waarvan geen kwijtschelding is verleend. Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van
f16.706 aan heffingsrente in rekening gebracht. (HAA 13/2658)
f54.347. In de navorderingsaanslag is een verhoging begrepen van ƒ 54.347, waarvan geen kwijtschelding is verleend. Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van
f17.294 aan heffingsrente in rekening gebracht. (HAA 13/2659)
f51.120. In de navorderingsaanslag is een verhoging begrepen van ƒ 51.120, waarvan geen kwijtschelding is verleend. Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van
f13.689 aan heffingsrente in rekening gebracht. (HAA 13/2660)
f54.444. In de navorderingsaanslag is een verhoging begrepen van ƒ 54.444, waarvan geen kwijtschelding is verleend. Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van
f9.395 aan heffingsrente in rekening gebracht. (HAA 13/2661)
f78.803. Bij afzonderlijke beschikkingen is een boete opgelegd van
f78.803 en is een bedrag van
f6.035 aan heffingsrente in rekening gebracht.
f8.136. In de navorderingsaanslag is een verhoging begrepen van ƒ 8.136, waarvan geen kwijtschelding is verleend. Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van
f3.069 aan heffingsrente in rekening gebracht. (HAA 13/2671)
f8.448. In de navorderingsaanslag is een verhoging begrepen van ƒ 8.448, waarvan geen kwijtschelding is verleend. Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van
f2.684 aan heffingsrente in rekening gebracht. (HAA 13/2672)
f8.696. In de navorderingsaanslag is een verhoging begrepen van ƒ 8.696, waarvan geen kwijtschelding is verleend. Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van
f2.325 aan heffingsrente in rekening gebracht. (HAA 13/2673)
f8.576. In de navorderingsaanslag is een verhoging begrepen van ƒ 8.576, waarvan geen kwijtschelding is verleend. Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van
f1.224 aan heffingsrente in rekening gebracht. (HAA 13/2674)
Overwegingen
[A], zodat de microfiches niet op hem betrekking kunnen hebben. Ten aanzien van zijn vader, [B], geldt in de eerste plaats dat deze persoon al in [JAARTAL] is overleden, zodat het buitengewoon onwaarschijnlijk is dat er in 1994 nog een rekening op zijn naam staat. Bovendien kan uit de overgelegde persoonskaart niet worden afgeleid dat deze persoon in Nederland heeft gewoond. De rechtbank volgt verweerder in zijn stelling dat de vermelding “NL” op het microfiche erop duidt dat de rekening toebehoort aan een inwoner van Nederland. Verweerder heeft in dit verband gewezen op een proces-verbaal van ambtshandeling, parketnummer [NUMMER 3], opgemaakt op 10 januari 2003 door een ambtenaar bij de belastingdienst FIOD-ECD-[PLAATS], waarin is opgenomen dat de Belgische belastinginspectie in een onderhoud met de FIOD-ECD heeft aangegeven dat de vermelding op de overzichten verband houdt met het woonland van de rekeninghouder.
Gelet op de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens en de door verweerder uitgevoerde identificatie die erin resulteerde dat eiser als rekeninghouder kon worden geïdentificeerd, acht de rechtbank op de hiervoor genoemde gronden aannemelijk dat eiser over de gevraagde gegevens en inlichtingen beschikte of kon beschikken. Ook bestond er voldoende aanleiding om aan eiser nadere inlichtingen omtrent die rekening te vragen. Dit brengt mee dat eiser ingevolge het bepaalde in artikel 47, eerste lid, van de AWR verplicht was om de door verweerder gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken.
f1.304.217 en een zichtrekening met een saldo op genoemde datum van
f1.294. Gelet op de omvang van het deposito en de aard van deze rekening acht de rechtbank verweerder geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat eiser vanaf 1 januari 1994 beschikte over de twee rekeningen vermeld op de afdruk van de microfiches. De rechtbank acht aannemelijk dat eiser het sinds 31 januari 1994 aanwezige vermogen ook nadien heeft aangehouden in het buitenland.
f59.89
€ 244, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 voor het indienen van repliek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490 per punt en een wegingsfactor 1 wegens het gewicht van de zaken en een wegingsfactor 1,5 wegens het aantal samenhangende zaken voor zowel bezwaar als beroep).
Beslissing
f59.890, de boetebeschikking 2001 tot
€ 3.000.
mr. M.H.L.C. Bijvoet, leden, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2015.