ECLI:NL:GHAMS:2016:4185
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onaanvaardbare financiële last bij effectenleaseovereenkomsten
De appellant is in 2001 twee effectenleaseovereenkomsten aangegaan met een rechtsvoorganger van Dexia, waarbij AFAB als tussenpersoon betrokken was. Hij vorderde schadevergoeding wegens onaanvaardbaar zware financiële lasten, stellende dat Dexia en AFAB hun zorgplicht hadden geschonden door de overeenkomsten te sluiten terwijl hij niet in staat was aan de financiële verplichtingen te voldoen.
De kantonrechter oordeelde dat geen onaanvaardbare financiële last bestond, mede omdat negatieve bedrijfsinkomsten buiten beschouwing werden gelaten bij de berekening volgens het hofmodel. In hoger beroep richtte de appellant zich vooral op het meenemen van deze negatieve inkomsten in de berekening.
Het hof oordeelde dat de appellant AFAB en Dexia niet had geïnformeerd over zijn verlieslatende onderneming, waardoor deze lasten niet in de beoordeling konden worden betrokken. De negatieve bedrijfsinkomsten en een vermeende lening met zijn zus werden buiten beschouwing gelaten. Het netto gezinsinkomen werd vastgesteld op basis van de inkomsten uit dienstbetrekking. Het hof bekrachtigde de eerdere vonnissen en veroordeelde de appellant in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de eerdere vonnissen en oordeelt dat geen onaanvaardbare financiële last is vastgesteld, met veroordeling van appellant in de proceskosten.