Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
grief I in principaal appel.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak staat het hoger beroep centraal van een effectenleaseovereenkomst tussen appellant en Dexia Nederland B.V. De appellant heeft meerdere leaseovereenkomsten afgesloten, waarvan enkele na afloop zijn verlengd. Dexia stelde restschulden vast die appellant niet heeft voldaan. De zaak betreft onder meer de vraag of de betalingsverplichtingen uit de leaseovereenkomsten een onaanvaardbaar zware financiële last voor appellant vormden.
Het hof baseert zich op eerdere jurisprudentie, waaronder richtinggevende arresten van 2009 en 2014, en de zogenaamde hofformule om te beoordelen of sprake is van een onaanvaardbare last. De zorgplicht van Dexia houdt in dat zij de afnemer vooraf moet waarschuwen voor mogelijke restschulden en diens financiële draagkracht moet toetsen. Dexia is gehouden twee derde van de restschuld te vergoeden bij schending van deze zorgplicht.
Appellant voerde onder meer aan dat een van de overeenkomsten nietig zou zijn wegens strijd met de Wet op de Kansspelen, wat het hof verwierp. Ook betwistte appellant de eerdere berekeningen over de financiële last, waarop het hof de zaak verwees naar de rol om Dexia in de gelegenheid te stellen te reageren op nieuw aangeleverde financiële gegevens.
Het hof houdt verdere beslissing aan en adviseert partijen te bezien of zij tot een schikking kunnen komen om verdere kosten te vermijden. De uitspraak is gedaan door drie raadsheren op 8 oktober 2019.
Uitkomst: De zaak is aangehouden en verwezen naar de rol voor nadere stukken van Dexia, verdere beslissing volgt later.