ECLI:NL:GHAMS:2017:2622
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar navorderingsaanslag vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een vennootschap die deel uitmaakte van een concern, maakte bezwaar tegen een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over het boekjaar 2001-2002. De inspecteur had de aanslag op 6 januari 2007 opgelegd en verzonden naar het toen geregistreerde vestigingsadres. Belanghebbende stelde dat zij vóór die datum een verzoek tot wijziging van het correspondentieadres had ingediend, zodat de aanslag niet op de juiste wijze bekend was gemaakt en het bezwaar binnen de termijn was ingediend.
De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening. Het Gerechtshof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat belanghebbende niet had bewezen dat zij een expliciet verzoek tot adreswijziging had gedaan. De inspecteur had aannemelijk gemaakt dat de aanslag tijdig naar het juiste adres was verzonden. Het hof verwierp ook de stelling van belanghebbende dat sprake was van een complot of dat de verzending niet had plaatsgevonden.
Belanghebbende had voorts verzocht om het horen van getuigen, maar het hof zag hier geen toegevoegde waarde in voor de beoordeling van het ontvankelijkheidsgeschil. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de navorderingsaanslag is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.