ECLI:NL:GHAMS:2017:3507
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid hof inzake herroeping en vernietiging arbitraal vonnis
Appellante heeft bij dagvaarding gevorderd dat het hof een arbitraal vonnis gedeeltelijk herroept dan wel vernietigt. Het geschil betreft de bevoegdheid van het hof om te oordelen over deze vorderingen, mede in het licht van de Wet modernisering arbitragerecht.
Het hof stelt vast dat de arbitrageprocedure aanhangig is gemaakt vóór de inwerkingtreding van deze wet, zodat het oude procesrecht van toepassing is. Op grond hiervan behoort de primaire herroepingsvordering tot de absolute bevoegdheid van het hof, terwijl de subsidiaire vernietigingsvordering tot de absolute bevoegdheid van de rechtbank behoort.
Appellante verzocht het hof om ook over de subsidiaire vordering te beslissen of deze ter verdere behandeling naar de rechtbank te verwijzen. Het hof wijst deze verzoeken af wegens gebrek aan wettelijke grondslag en verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de subsidiaire vordering, die het verwijst naar de rechtbank Amsterdam.
De primaire vordering wordt door het hof behandeld en de zaak wordt verwezen naar de rol voor het nemen van een conclusie van antwoord door geïntimeerde. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2017.
Uitkomst: Het hof verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de subsidiaire vordering en verwijst deze naar de rechtbank, terwijl de primaire vordering door het hof wordt behandeld.