Uitspraak
13-993500-14 tegen
Onderzoek van de zaak
31 augustus 2017 en 14 september 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tenlastelegging
hij, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 10 juni 2002 tot en met heden, in Amsterdam en/of elders in Nederland, en/of in Luxemburg en/of elders in het Groothertogdom Luxemburg,
hij, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 14 maart 2014, in Amsterdam en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland,
Vonnis waarvan beroep
Bespreking van ter terechtzitting gevoerde verweren / bewijsoverwegingen
geheletenlastelegging en niet slechts een onderdeel. Voor het overige volstaat het hof met een verwijzing naar de bewijsmiddelen. Het verweer wordt verworpen.
Bewezenverklaring
op tijdstippen in de periode van 10 juni 2002 tot en met 10 juni 2014, in Amsterdam en in Luxemburg, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, hierin bestaande dat hij, verdachte, telkens krachtens die gewoonte, (van) geldbedragen, tot een totaalbedrag van € 3.118.081,61
- chartale geldbedragen in een auto en op de plek waar het reservewiel wordt bewaard te vervoeren van het Groothertogdom Luxemburg naar Nederland; en
- chartale geldbedragen te verstoppen in een mechanisch ventilatiesysteem in een woning gelegen aan de [adres 1] ; en
- chartale geldbedragen te laten storten op Nederlandse rekeningen die te naam waren gesteld van [verdachte] en [naam 1] en [naam 2] en [naam 4] ; en
- girale geldbedragen te (laten) overboeken van Nederlandse rekeningen die te naam waren gesteld van [naam 1] en [naam 2] en [naam 4] naar Nederlandse rekeningen die te naam waren gesteld van [verdachte] met als omschrijving
huurof
bekendof
leningof een omschrijving die aan beleggen te relateren is; en
- girale en chartale geldbedragen aan te (laten) wenden ten behoeve van zichzelf, verdachte, en anderen;
op tijdstippen in de periode van 1 januari 2003 tot en met 14 maart 2014, in Amsterdam, meermalen, als belastingplichtige in de zin van de wet inkomstenbelasting 2001, telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten
- de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2002; en
- de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2003; en
- de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2004; en
- de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2005; en
- de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2006; en
- de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2007; en
- de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2008; en
- de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2009; en
- de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2010; en
- de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2011; en
- de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2012; en
- de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2013
onjuist of onvolledig heeft gedaan, terwijl dat feit er telkens toe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan dat in die aangiften telkens
- een te laag bedrag aan Nederlands belastbaar inkomen werd aangegeven; en
- een te laag bedrag aan vermogen in een ander land dan Nederland werd aangegeven;
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Strafbaarheid van de verdachte
Oplegging van straffen
€ 298.100, bij niet betalen te vervangen door 365 dagen hechtenis. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat een geldbedrag van € 785.165 en een bankrekening (aandelenportefeuille) bij de BINCK bank ten name van verdachte met als saldo € 983.082,80 verbeurd worden verklaard.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
gevangenisstrafvoor de duur van
15 (vijftien) maanden.
geldboetevan
€ 500.000,00 (vijfhonderdduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis.
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: