ECLI:NL:GHAMS:2018:3453
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot verwijdering BKR-registratie afgewezen wegens verjaring en rechtsverwerking
In deze civiele zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam, waarin zijn verzoek tot verwijdering van een negatieve BKR-registratie door ABN AMRO werd afgewezen. De registratie betrof een kredietovereenkomst uit 2009 waarbij appellant zijn betalingsverplichtingen niet was nagekomen. ABN AMRO had de schuld inclusief rente en kosten geregistreerd bij het BKR met de codes voor achterstand en afboeking.
Appellant voerde aan dat de vordering was verjaard en dat ABN AMRO rechtsverwerking had gepleegd door de registratie met code 3 door te geven. Tevens betwistte hij de juistheid van het geregistreerde bedrag en de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam. Het hof oordeelde dat de verjaring was gestuit door een sommatiebrief van ABN AMRO in 2012 en dat geen sprake was van rechtsverwerking omdat geen finale kwijting was verleend. De relatieve bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam werd bevestigd omdat ABN AMRO daar gevestigd is en appellant geen woonplaats in Nederland heeft.
Het hof concludeerde dat de registratie niet disproportioneel of onjuist was en dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd voor zijn stellingen. Het verzoek tot verwijdering van de BKR-registratie werd dan ook afgewezen en de bestreden beschikking bekrachtigd. Appellant werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot verwijdering van de BKR-registratie af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam.