Conclusie
conclusiestrekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.
Parket bij de Hoge Raad
Verzoeker heeft een kredietovereenkomst met ABN AMRO Bank en wilde via de Hoge Raad het verwijderen van een BKR-registratie afdwingen. Het verzoekschrift tot cassatie was echter niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals vereist volgens artikel 426a lid 1 Rv.
De griffier gaf verzoeker de mogelijkheid om dit binnen twee weken te herstellen, maar verzoeker maakte hier geen gebruik van en betoogde dat op grond van artikel 46 lid 4 van Pro de Wet bescherming persoonsgegevens (oud) geen ondertekening door een advocaat nodig zou zijn. De Hoge Raad verwierp dit argument en verwees naar eerdere uitspraken waarin dit standpunt al was afgewezen.
Verzoeker voerde tevens aan dat het niet-ontvankelijk verklaren in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel, omdat in oudere beschikkingen niet-ondertekende verzoekschriften wel ontvankelijk waren verklaard. De Hoge Raad oordeelde dat deze oudere zaken niet vergelijkbaar zijn en dat de huidige regeling een gespecialiseerde cassatiebalie voorschrijft.
Ten slotte stelde verzoeker dat geen advocaat bereid was het verzoekschrift te ondertekenen, maar de Hoge Raad benadrukte dat de herstelmogelijkheid binnen 14 dagen blijft bestaan en dat het wettelijke ondertekeningsvereiste niet kan worden genegeerd. De Hoge Raad verklaarde verzoeker niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens ontbreken van advocaatsondertekening.