ECLI:NL:GHAMS:2018:5174
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging afwijzing verzoek tot opleggen dwangakkoord wegens onvoldoende uiterste aanbod
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar verzoek om de Belastingdienst te dwingen in te stemmen met een dwangakkoord, nadat zij het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling had ingetrokken. Het hof verklaarde appellante ontvankelijk in het hoger beroep.
Appellante voerde aan dat het aanbod van circa 1,9% van de totale schuldenlast vergelijkbaar is met het resultaat van een schuldsaneringsregeling, mede gezien haar beperkingen en geringe arbeidsmogelijkheden. De Belastingdienst verzette zich met het argument dat de boete een punitief karakter heeft en dat het aanbod onvoldoende is, mede omdat toekomstige inkomensstijgingen niet in het aanbod zijn verwerkt.
Het hof oordeelde dat het verzoek tot opleggen van een dwangakkoord slechts kan worden toegewezen indien de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering kon komen en het aanbod het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat is. Gezien de omstandigheden, de leeftijd en opleiding van appellante, en het ontbreken van bewijs van arbeidsongeschiktheid, achtte het hof het niet aannemelijk dat appellante niet in staat zou zijn om in de toekomst meer te sparen voor haar schuldeisers. Daarom werd het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en het verzoek afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot opleggen van een dwangakkoord af wegens onvoldoende uiterste aanbod.