Uitspraak
1.Ontstaan en loop van het geding
2.2. Feiten
3.3. Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
Onroerendezaakbelasting
34.476,06+
53.645,69+
grote twijfel [heeft] of alle BTW bedragen wel toepasbaar zijn. Dat heeft met name betrekking op portokosten-subsidies-abonnementen en bijdragen van derden.” Het Hof overweegt als volgt. Nadat belanghebbende de overschrijding van de opbrengstlimiet aan de orde heeft gesteld en de heffingsambtenaar inzage in de desbetreffende ramingen heeft verschaft, kan het verstrekken van nadere inlichtingen uitsluitend van de heffingsambtenaar worden verlangd voor zover de belanghebbende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een 'last ter zake'. Tot de 'lasten ter zake' behoren niet alleen posten die rechtstreeks samenhangen met de verleende diensten waarvoor de rechten worden geheven, maar ook aan die diensten toe te rekenen indirecte kosten (vlg. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777, BNB 2014/148). Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende – nog afgezien van de omstandigheid dat hij voormelde opmerking eerst ter zitting heeft gedaan waardoor de heffingsambtenaar zich hiertegen niet adequaat heeft kunnen verweren – onvoldoende gemotiveerd gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van de hier door hem genoemde posten in de ramingen redelijke twijfel bestaat of sprake is van 'lasten ter zake', meer specifiek de kosten bedoeld in artikel 228a, eerste lid, Gemeentewet en artikel 15.33, eerste lid, Wet milieubeheer. Belanghebbende heeft immers volstaan (ter zake van de hiervoor vermelde posten) met de stelling dát hij “grote twijfel heeft of alle BTW-bedragen wel toepasbaar zijn”, zonder toe te lichten waarom naar zijn mening redelijke twijfel bestaat of (volledig) sprake is van een ‘last ter zake’. Het is het Hof ook niet gebleken dat het hier zou gaan om posten waarvan de BTW niet is terug te voeren op baten en lasten die in de gemeentebegroting zijn opgenomen. Weliswaar heeft belanghebbende nog aangevoerd dat een belangrijk deel van de BTW ten onrechte in het door de heffingsambtenaar verstrekte overzicht is vermeld omdat het gemeentelijke afvalverwerkingsbedrijf geheel geen BTW aan de gemeente in rekening brengt. Het Hof acht die stelling evenwel zonder feitelijke grondslag en neemt daarbij in aanmerking dat de heffingsambtenaar in reactie op die stelling onweersproken heeft verklaard dat het gemeentelijke afvalverwerkingsbedrijf ( [X] N.V.) per 1 januari 2014 is verzelfstandigd en als ondernemer voor de omzetbelasting dient te worden aangemerkt, zodat terecht BTW in rekening is gebracht aan de gemeente.