Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Tussen partijen vaststaande feiten
Feiten
4.Het oordeel van de rechtbank
Beoordeling van het geschil
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende, werkzaam als Rijnvarende op een binnenschip geregistreerd in Duitsland, betwistte de premieplicht voor de Nederlandse sociale verzekeringen over de periode 1 januari tot en met 31 oktober 2013. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) had een A1-verklaring afgegeven waarin werd vastgesteld dat de Nederlandse sociale wetgeving van toepassing is voor die periode. De rechtbank wees het beroep van belanghebbende af en bevestigde de premieplicht.
In hoger beroep bevestigt het Hof dat de A1-verklaring van de SVB het uitgangspunt is en dat zowel de inspecteur als de rechter daaraan gebonden zijn, ook als de verklaring nog niet onherroepelijk is. Het Hof volgt de rechtspraak van de Hoge Raad dat de premieplicht moet worden beoordeeld aan de hand van deze verklaring. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel faalt, omdat de situatie van belanghebbende niet vergelijkbaar is met andere gevallen.
Belanghebbende verzocht tevens om een schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de Belastingdienst, maar dit verzoek is ongegrond verklaard wegens gebrek aan onderbouwing. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de premieplicht voor de Nederlandse sociale verzekeringen bevestigd.