Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Overwegingen van de rechtbank
5.Beoordeling van het geschil
www.waarderingskamer.nl) die van toepassing is op de berekening door de heffingsambtenaar van de inhoud van de vergelijkingsobjecten en de woning (hierna: meetinstructie). Zoals ook belanghebbende in zijn nader stuk concludeert, gaat het hierbij alleen om de inhoud van de benedenverdieping en de bovenverdieping; de kelder en aangrenzende inpandige garage zijn immers door de heffingsambtenaar apart benoemd en gewaardeerd. Het Hof komt voor de beneden- en bovenverdieping tezamen uit op een inhoud van 509,60 m3. Die inhoud is als volgt berekend. De bouwtekening vermeldt een breedte van de woning van 8 meter en een lengte van 14 meter. Dit geeft voor beide verdiepingen een bruto oppervlakte (inclusief buitenmuren) van 112 m2. De hoogte van de benedenverdieping bedraagt volgens de tekening 2.80 meter. Dat is conform de meetinstructie de afstand gemeten vanaf het op de tekening aangegeven peil, te weten de bovenkant vloer van de benedenverdieping (ca 80 cm boven het maaiveld), tot en met de vloer van de bovenverdieping. Dit geeft een bruto inhoud van 313,60 m3 (112 x 2.80). Bij het bepalen van de inhoud van de bovenverdieping dient er rekening mee te worden gehouden dat de woning een zadeldak heeft. Conform de meetinstructie dient de hoogte van de bovenverdieping dan gemeten te worden als het gemiddelde van de som van de laagste hoogte (in dit geval aansluiting van het zadeldak op de buitenmuur direct bij de verdiepingsvloer) en de hoogste hoogte (afstand bovenkant vloer tot de nok inclusief dakconstructie). Dit leidt tot een hoogte van (0 + 3.50 m)/2= 1,75 meter (de bouwtekening vermeldt een nokhoogte van 6,30 meter gemeten vanaf peil: verminderd met de hoogte van de benedenverdieping resulteert dit in de hoogte van 3.50 meter). De inhoud van de bovenverdieping is dan 112 x 1,75 = 196 m3. De bruto inhoud van beneden- en bovenverdieping tezamen komt daarmee uit op 509,60 m3 (313,60 + 196). Belanghebbende is, zo valt te lezen in het hoger beroepschrift, van andere hoogtes uitgegaan (2.58 en 3.25 meter voor respectievelijk de beneden- en bovenverdieping). Het Hof gaat aan die hoogtes voorbij, aangezien ze zonder motivering afwijken van de maten in de bouwtekeningen. Daarbij dient, anders dan belanghebbende voorstaat, geen afslag plaats te vinden vanwege een beperkte stahoogte noch voor verkeersruimten, aangezien (ook bij de vergelijkingsobjecten) niet de (nuttige) gebruiksoppervlakte maar de bruto inhoud is gehanteerd als vergelijkingsmaatstaf. De conclusie is dat de heffingsambtenaar ca 40 m3 te veel aan inhoud in aanmerking heeft genomen.
6.Kosten
7.Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart het beroep gegrond voor zover het betrekking heeft op de waarde van de woning en de aanslag onroerende-zaakbelasting;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de waarde van de woning en de aanslag onroerendezaakbelasting;
- vermindert de bij beschikking voor het jaar 2016 vastgestelde waarde van de woning tot € 336.000;
- vermindert de aanslag onroerendezaakbelasting 2016 dienovereenkomstig;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van reiskosten van belanghebbende in beroep en hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 50;
- draagt de heffingsambtenaar op aan belanghebbende het betaalde griffierecht van € 46 (beroep bij de rechtbank) en € 124 (hoger beroep bij het Hof), in totaal € 170 te vergoeden.