ECLI:NL:GHAMS:2019:905
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Zorgplicht bank bij aflossingsvrije hypotheek en restschuld na executoriale verkoop
Appellant en zijn echtgenote kochten in 2007 twee woningen met aflossingsvrije hypotheken bij ING. Na baanverlies ontstonden betalingsachterstanden en werden de woningen executoriaal verkocht, waarbij een aanzienlijke restschuld ontstond. Appellant stelde dat ING haar zorgplicht had geschonden door onvoldoende te waarschuwen voor de risico's van het securitisatiemodel van banken en dat sprake was van onvoorziene omstandigheden.
De rechtbank wees de vordering af omdat appellant onvoldoende concrete feiten had gesteld over zijn financiële situatie en de zorgplicht van ING. Het hof bevestigde dit oordeel en benadrukte dat de beoordeling van zorgplicht afhankelijk is van de specifieke omstandigheden van het geval. Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat ING onrechtmatig had gehandeld of tekort was geschoten.
Het hof verwierp ook het beroep op onvoorziene omstandigheden, omdat waardedalingen op de huizenmarkt algemeen bekend zijn en geen grond vormen voor wijziging van de overeenkomst. Verder wees het hof het verzoek tot bijzondere bewijslastverdeling af, omdat de situatie niet vergelijkbaar is met de DES-zaak. Het hof bekrachtigde het vonnis en veroordeelde appellant in de kosten van het geding.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vordering van appellant tegen ING af wegens onvoldoende onderbouwing van zorgplichtschending.