Conclusie
1.Feiten
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
nietinhoudt dat ING in het kader van de kredietverstrekking heeft verzuimd voldoende en adequaat onderzoek te doen naar de financiële positie en verdiencapaciteit van [eisers] en/of naar de vraag of hij wel in staat was de daarmee gemoeide maandlasten te (blijven) dragen (in de woorden van de raadsman: of bij de kredietverlening wel de juiste “cijfers” zijn toegepast) en evenmin dat ING in dat kader onvoldoende voor eventuele overkrediteringsrisico’s zou hebben gewaarschuwd.
in abstractokan worden bepaald, bijvoorbeeld aan de hand van de zaak overstijgende macro-economische inzichten. Een beroep op een zorgplicht kan alléén slagen indien daartoe concrete feiten en omstandigheden worden gesteld die betrekking hebben op de relevante rechtsverhouding, de bij de betrokken cliënt aanwezige deskundigheid en diens financiële positie.”
in abstractokan worden bepaald, bijvoorbeeld aan de hand van overstijgende macro-economische inzichten. Volgens grief III zijn de overwegingen van de rechtbank in rov. 4.7. onjuist, voor zover betoogd wordt dat de bij akte gewijzigde vorderingen van [eiser] op grond van art. 6:258 BW Pro geen tekortkomingen of onrechtmatig handelen aan de zijde van ING opleveren, omdat de grondslag van de gewijzigde vorderingen niet langer strekken tot ontbinding of wijziging van de overeenkomst. Met grief IV, ten slotte, heeft [eiser] geklaagd dat de rechtbank ten onrechte in haar vonnis het beroep van [eiser] in de inleidende dagvaarding op analoge toepassing van het
DES-dochters-arrest [7] geheel buiten toepassing heeft gelaten.
DES-dochters-arrest heeft het hof verworpen:
3.Bespreking van de cassatiemiddelen
Inleiding
civielrechtelijkezorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij voor het onderhavige geval bijvoorbeeld kan worden gedacht aan het gegeven dat [eiser] hypotheekadviseur was ten tijde van het aangaan van de leningen. [11] De civielrechtelijke zorgplicht kan verder reiken dan de gedragsregels die in publiekrechtelijke regelgeving of in zelfregulering zijn neergelegd. [12]
SNS Bank NV/Stichting Gedupeerden Overwaardeconstructie W&P-arrest heeft UW Raad overwogen dat de bijzondere zorgplicht van de bank met betrekking tot het voorkomen van overkreditering ook in de periode 1999-2003 bestond. [14] In deze periode strekte de zorgplicht echter in beginsel niet zover dat de bank met het oog op de belangen van de consument het verstrekken van het hypothecaire krediet in een geval van (dreigende) niet-verantwoorde kredietverstrekking behoorde te weigeren indien de consument – na door de bank op de hiervoor omschreven wijze adequaat te zijn voorgelicht of gewaarschuwd – ervoor koos de hypothecaire lening (toch) aan te gaan. [15]
Hypinvest-arrest heeft Uw Raad overwogen dat de bijzondere zorgplicht van een bank ook in 2006 onder meer meebracht dat zij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst tot hypothecair krediet met een consument, inlichtingen diende in te winnen over zijn inkomens- en vermogenspositie teneinde overkreditering van de consument te voorkomen. De zorgplicht bestaat ongeacht of de consument wordt bijgestaan door een tussenpersoon. [16]
SNS Bank NV/Stichting Gedupeerden Overwaardeconstructie W&P(randnummers 3.6 tot en met 3.8 hiervoor). Uit dit arrest leid ik af dat de verstrekking van hypothecair krediet toen onderwerp van zelfregulering was. Er gold een Gedragscode Hypothecaire Financieringen die primair was gericht op informatieverstrekking. [20]
SNS Bank NV/Stichting Gedupeerden Overwaardeconstructie W&P(in de procesinleiding aangeduid als: ‘SNS-arrest’) [29] en
Hypinvest(in de procesinleiding aangeduid als: ‘Amstelstaete-arrest) [30] gegeven maatstaf moet worden gehanteerd voor de toetsing van een gesteld geschonden bijzondere bancaire zorgplicht en dat ING als bank informatie moet inwinnen, de ingewonnen informatie zorgvuldig moet beoordelen en de consument naar aanleiding daarvan concreet moet adviseren en waarschuwen.
SNS-en
Amstelstaete-maatstaf het volgende moest doen:
in dit concrete gevalhaar informatie-, mededelings-, zorg-, waarschuwings- en spreekplicht [32] heeft geschonden en onrechtmatig heeft gehandeld, althans toerekenbaar tekort is geschoten jegens [eiser] . Het hof heeft vervolgens overwogen dat dus
in deze zaakter beoordeling voorligt of ING een verwijt kan worden gemaakt van het verstrekken van de hypothecaire geldleningen voor de twee woningen van [eiser] en dat de conclusie moet zijn dat [eiser] daartoe onvoldoende gesteld heeft, omdat hij niet, zoals wel op zijn weg lag, heeft toegelicht en met bewijsstukken heeft onderbouwd hoe zijn financiële positie was, welke bijzondere omstandigheden van belang waren en welke concrete plicht(en) ING jegens hem niet is nagekomen. Dit oordeel van het hof geeft geen blijk van een miskenning van hetgeen Uw Raad heeft overwogen in de arresten die in de procesaanleiding worden aangeduid met
SNSen
Amstelstaete(randnummers 3.8 en 3.9 hiervoor). Het hof heeft dus geen verkeerde maatstaf gehanteerd. Het hof heeft slechts een concretisering gegeven van het verwijt dat [eiser] aan het adres van ING maakt en heeft dit vervolgens afgedaan op grond van niet-voldoen door [eiser] aan zijn stelplicht.
onderdeel I.
stelplicht.
onderdeel II.
in het algemeenonrechtmatig was jegens eenieder die nadeel heeft ondervonden van ontwikkelingen op de Nederlandse huizenmarkt of jegens eenieder aan wie een aflossingsvrije hypotheek is verstrekt. Het hof heeft zich terecht beperkt tot de voorliggende zaak tussen [eiser] en ING en het was niet gehouden om daarboven uit te stijgen. Dit laatste zou het hof wel hebben gedaan als het een oordeel had gegeven over de (on)rechtmatigheid van securitisatie van hypotheken door banken in het algemeen. De vraag hiernaar behoeft geen beantwoording in de voorliggende zaak, nu zelfs als sprake zou zijn geweest van een onrechtmatige daad door securitisatie ‘in het algemeen’, daarmee nog niet vaststaat dat ING in casu ook jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld. Het oordeel van het hof geeft dus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het geeft evenmin blijk van een gebrekkige motivering.
kunnenvinden waarmee de civiele zorgplicht en art. 4:34 Wft Pro ingevuld hadden kunnen worden (randnummer 77.), is op zich niet onjuist. Ik begrijp het betoog echter zo dat het hof ‘aanknopingspunten’ in de richtlijnen had
moetenvinden. Dat zou dan betekenen dat de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen alsnog zouden gelden, hoewel de onderhavige leningen buiten het toepassingsbereik van de richtlijnen vallen. Aan deze opvatting kleven dus serieuze bezwaren. Dit geldt ook voor [eiser] stelling dat de door hem gestelde negatieve prijsontwikkelingen op de Nederlandse huizenmarkt onder het begrip toekomstige gebeurtenissen in de zin van de Richtlijn hypothecair krediet vallen en daarom relevant zijn voor de bijzondere bancaire zorgplicht en meer in het bijzonder de waarschuwingsplicht (randnummer 78.).
in het algemeenonrechtmatig was, alsmede op het oordeel van het hof dat [eiser] onvoldoende concreet heeft aangevoerd wanneer volgens hem de Nederlandse huizenmarkt is ingestort, hoe ernstig die gestelde ineenstorting was, hoe lang die periode van ingestort zijn heeft geduurd en hoe de datum of periode van ineenstorting zich verhoudt met de data waarop de gebeurtenissen zich hebben afgespeeld die ‘hiervoor’ in de feitenvaststelling staan vermeld (rov. 3.6).
[…] / […]. [41]
in het algemeenonrechtmatig was en dat de rechter alleen een oordeel kan en mag geven in een specifiek geval, op basis van de stellingen en verweren van partijen. Gesteld al dat de genoemde zorgplicht en art. 4:34 Wft Pro van openbare orde zijn, dan nog heeft het hof niet in strijd met het recht overwogen dat het niet gehouden is tot het geven van een algemeen oordeel in voormelde zin. Het een staat immers los van het ander. Ik verwijs in dit verband naar mijn bespreking van onderdeel IV (randnummers 3.44 tot en met 3.51 hiervoor), dat eveneens betrekking heeft op het oordeel van het hof in rov. 3.5 dat een beoordeling van de rol van de banken in het algemeen in de prijsontwikkeling op de (Nederlandse) huizenmarkt, al dan niet door een bedrijfsvoering waarvan securitisatie onderdeel uitmaakt, in deze procedure niet aan de orde kan zijn.
[…] / […]-arrest.
onderdeel Vgeen doel treft.
na het sluiten van de overeenkomst(en die partijen niet (uitdrukkelijk of stilzwijgend) in hun overeenkomst hebben verdisconteerd). [42]
onderdeel VI, zowel waar het de rechtsklacht als de motiveringsklacht betreft, faalt.
onderdeel VIII.
DES-dochters-arrest heeft bepleit (rov. 3.7), maar dat de door hem ingenomen stellingen onvoldoende zijn om in de onderhavige zaak tot een bijzondere verdeling van de bewijslast te kunnen leiden naar voorbeeld van de bewijslastverdeling in de DES-zaak (rov. 3.8). Het hof heeft overwogen dat het in de DES-zaak ging om een oplossing voor een causaliteitsprobleem, terwijl zowel de onrechtmatigheid als de schade op zichzelf vaststonden. Dat is volgens het hof een wezenlijk andere situatie dan in deze zaak, waarin onbetwist is dat ING, als de gestelde schade van [eiser] zou komen vast te staan, ING die schade heeft veroorzaakt.
DES-dochtersgedaan. Het mogelijke andersluidende uitgangspunt van het hof, inhoudende dat [eiser] ten aanzien van causaal verband voldoende heeft gesteld, is gelet op de door [eiser] ingenomen stellingen onjuist (want gebaseerd op een te lage maatstaf ten aanzien van de stelplicht) of onbegrijpelijk (want gebaseerd op een onbegrijpelijke lezing van de processtukken).
meerdereproducenten van het schadelijke
diëthylstilbestrol(DES), een kunstmatig vrouwelijk hormoon dat in Nederland tussen 1947 en 1976 in tabletvorm werd voorgeschreven aan zwangere vrouwen met de bedoeling miskramen en vroeggeboorten te voorkomen. De dochters van die vrouwen hielden hier fysieke schade aan over en, daaruit voortvloeiend, vermogensschade en immateriële schade. Het bleek niet (steeds) mogelijk om per ‘schadegeval’ de daarvoor verantwoordelijke producent aan te wijzen. Welke moeder DES-tabletten had ontvangen van welke producent, kon niet (steeds) worden achterhaald. Er deed zich derhalve een bijzonder causaliteitsprobleem voor dat zonder oplossing aan schadevergoeding voor iedere eiseres in de weg zou staan, ook al stond vast dat het in het verkeer brengen van DES-tabletten onrechtmatig was en tevens dat de klachten van de eiseressen door DES waren veroorzaakt. Uw Raad heeft deze oplossing destijds gevonden in toepassing van het leerstuk van de alternatieve causaliteit (art. 6:99 BW Pro). Mijns inziens heeft het hof in de onderhavige zaak slechts bedoeld duidelijk te maken dat een dergelijk geval zich in de onderhavige zaak niet voordoet. In de desbetreffende overweging van het hof ligt niet besloten dat ING volgens het hof het causaal verband tussen de door [eiser] gestelde schade en de door [eiser] aan ING verweten gedraging(en) onvoldoende of in het geheel niet heeft betwist.