Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
tweede] verdieping met een oppervlak van 106 m2. Het object betreft een huurwoning en is in redelijke staat. Vanwege de hoekligging heeft de woning weinig lichttoetreding aan de achterkant en is het balkon erg klein.
Adres WOZ-waarde per m²
Standaard 1 Marktwaarde als waarderingsgrondslag, Editie 2010, Aansluiting bij International Valuation Standards’. Het Model taxatieverslag woningen (Bijlage 4 bij de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken; hierna: de Uitvoeringsregeling) luidt – hier heeft belanghebbende ook in hoger beroep op gewezen – onder andere als volgt:
3.Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
Kamerstukken II1993/94, 22 885, nr. 36, blz. 44).
Standaard 1 Marktwaarde als waarderingsgrondslag Editie 2010’ en Bijlage 4 bij het modeltaxatieverslag; zie verder 2.6) – kort samengevat – dat de zogenoemde aansluiting door de Waarderingskamer bij het begrip ‘marktwaarde’ als gedefinieerd in de International Valuation Standards (IVS) gevolgen heeft voor de bewijslast van de heffingsambtenaar; ook de aan de heffingsambtenaar voorgeschreven methode van modelmatige waardebepaling (zie 4.3) is volgens belanghebbende van invloed op deze bewijslast. Mede door aansluiting bij de IVS-definitie kan de heffingsambtenaar niet zonder meer aan de op hem rustende bewijslast voldoen met de verwijzing naar één of enkele transacties. Een dergelijke onderbouwing komt volgens belanghebbende niet objectief genoeg overeen met de prijs die een redelijk handelend koper aan een redelijk handelend verkoper zou hebben betaald, zonder bijzondere omstandigheden.
“Het transactiebedrag ligt beduidend onder het marktniveau van vergelijkbare woningen in de buurt. Een reden daartoe is niet bekend.”overweegt het Hof dat onduidelijk is (gebleven) welke gevolgen de heffingsambtenaar aan zijn opmerking wenst te verbinden, maar zo hij heeft bedoeld te stellen dat sprake zou zijn van een niet-marktconforme transactie, dan wordt die stelling, die belanghebbende heeft betwist, bij gebreke aan enig concreet bewijs daarvan verworpen. Overigens heeft de heffingsambtenaar bij de in de matrix verstrekte onderbouwing van de waarde van de woning geen correctie toegepast op de gerealiseerde verkoopprijs van [F] . De heffingsambtenaar heeft kennelijk alleen de WOZ-waarde van [F] (volgens belanghebbende: 15%) lager vastgesteld dan uit deze gerealiseerde verkoopprijs zou volgen. Aangezien de vast te stellen waarde van de woning dient te geschieden aan de hand van gerealiseerde verkoopprijzen van vergelijkingsobjecten (en niet op basis van vastgestelde WOZ-waarden van die objecten), is deze constatering verder niet relevant voor de beoordeling van het onderhavige geschil.
feitelijkidentieke objecten in de onder 4.14.2 bedoelde zin. Met de enkele verwijzing naar de omstandigheid dat de in 2.4 vermelde woningen in verband met in eerdere jaren toegepaste groepsgewijze waardering in één groep waren ingedeeld (en gelijk werden gewaardeerd) heeft belanghebbende niet het van hem verlangde bewijs geleverd. Bovendien leidt het Hof uit de door belanghebbende zelf vermelde gegevens af dat [H] , [I] , [J] , [K] en [L] (alle genoemd in 2.4) een oppervlak van achtereenvolgens 100 m², 151 m², 132 m², 125 m² en 137 m² hebben (zie pagina 5 hoger beroepschrift alsmede bijlage A bij het hoger beroepschrift). Het gaat hier voorts om benedenwoningen en om woningen op de eerste, tweede of derde verdieping. Naar het oordeel van het Hof zijn dergelijke verschillen in oppervlak (de onderhavige woningen hebben een oppervlak van 95 m² en 106 m²) en verschillen in type woning voor toepassing van de meerderheidsregel niet als verwaarloosbaar te beschouwen. Nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem genoemde objecten voldoende identiek zijn, kan het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel (meerderheidsregel) niet slagen.
6.Beslissing
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.