Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
[geïntimeerde sub 2],
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak stond de uitleg van een bepaling in de splitsingsakte centraal, waarin het gebruik van privégedeelten als pension- of kamerverhuurbedrijf, inclusief bed and breakfast, werd verboden. De ouders van een student hadden een appartement gekocht en verhuurden dit aan hun zoon en drie studievrienden voor de duur van de studie.
De appellant stelde dat dit gebruik als bedrijfsmatige kamerverhuur moest worden aangemerkt en daarmee verboden was. Het hof volgde echter de rechtbank in de conclusie dat het hier niet gaat om bedrijfsmatige verhuur, maar om een bijzondere vorm van verhuur aan een verbonden groep, waarbij het appartement na afloop van de studie door de zoon zelf bewoond wordt of verkocht zal worden.
Het hof benadrukte dat het verbod in de splitsingsakte gericht is op bedrijfsmatige verhuur en dat de feitelijke situatie van de verhuur aan de zoon en studievrienden niet als zodanig kan worden gekwalificeerd. De grieven van appellant werden verworpen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en oordeelt dat de verhuur aan de zoon en studievrienden geen bedrijfsmatige kamerverhuur is en niet in strijd met de splitsingsakte.