Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen een aanslag leges opgelegd door de gemeente Edam-Volendam voor een aanvraag omgevingsvergunning brandveilig gebruik van zijn orthodontiepraktijk. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Gerechtshof bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De kern van het geschil betrof de vraag of de brief van 4 december 2015, waarin belanghebbende een formele aanvraag om gebruiksvergunning indiende, kon worden aangemerkt als een aanvraag omgevingsvergunning brandveilig gebruik. Het hof oordeelde dat de brief, mede gelet op eerdere correspondentie en het feit dat belanghebbende geen bezwaar maakte tegen de juridische duiding door de heffingsambtenaar, als zodanig moest worden beschouwd.
Belanghebbende voerde aan dat de brief niet voldeed aan de formele indieningsvereisten en dat er geen bouwkundige wijzigingen waren, waardoor geen leges geheven konden worden. Het hof verwierp deze argumenten, stellende dat een aanvraag vormvrij is en dat voor een omgevingsvergunning brandveilig gebruik geen bouwkosten relevant zijn.
Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en andere beginselen van behoorlijk bestuur faalde, omdat belanghebbende onvoldoende feiten had gesteld om dit aannemelijk te maken. Het hof bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.