Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Overwegingen van de rechtbank
5.Beoordeling van het geschil
7.Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart het beroep ongegrond.
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende betaalde BPM over een in Duitsland aangeschafte Renault Clio, geregistreerd in Nederland in 2016. De inspecteur legde een naheffingsaanslag op gebaseerd op het BPM-tarief van 2016, terwijl belanghebbende meende dat het lagere tarief van 2015 toegepast moest worden vanwege artikel 16a Wet BPM en artikel 110 VWEU Pro.
De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd. De inspecteur ging hiertegen in hoger beroep. Het Hof bevestigde dat de auto als nieuwe personenauto moet worden aangemerkt, omdat deze na vervaardiging nauwelijks gebruikt was, ondanks eerdere registratie in Duitsland.
Het Hof verwees naar de rechtspraak van het HvJ EU en de Hoge Raad, waarin is bepaald dat BPM zo moet worden geheven dat het vrije verkeer van goederen niet wordt belemmerd en nationale voertuigen niet worden bevoordeeld. Omdat het BPM-tarief voor binnenlandse en geïmporteerde nieuwe auto's op hetzelfde moment gelijk is, is er geen sprake van discriminatie.
Het Hof oordeelde dat artikel 16a Wet BPM in deze situatie niet van toepassing is en vernietigde het vonnis van de rechtbank. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard, waarmee de naheffingsaanslag in stand bleef.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag BPM blijft in stand.