De inspecteur legde aan belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting over 2011 op, met dagtekening 24 december 2016. Belanghebbende betwistte tijdigheid en juiste verzending, stellende dat zij de aanslag niet op het verplichte postbusadres had ontvangen en dat de aanslag te laat was opgelegd.
De rechtbank oordeelde dat de aanslag tijdig was vastgesteld en verzonden naar het juiste adres, mede op basis van een rapport van de Belastingdienst en systeemgegevens. De rechtbank vond dat de wisselende adressering van andere belastingbrieven niet relevant was voor de naheffingsaanslag en dat de termijnoverschrijding niet aannemelijk was.
In hoger beroep bevestigde het Hof dit oordeel. Het uitstelverzoek van belanghebbende werd afgewezen wegens onvoldoende zwaarwegende omstandigheden. Het Hof vond dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat de aanslag tijdig was vastgesteld en verzonden naar het verplichte postbusadres. De stelling dat de aanslag niet was ontvangen was niet relevant voor de wettelijke termijn. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.