ECLI:NL:GHAMS:2021:1774

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 juni 2021
Publicatiedatum
15 juni 2021
Zaaknummer
23-000663-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 197 SrArt. 378a SvArt. 67 Vreemdelingenwet 2000Art. 66a lid 7 Vreemdelingenwet 2000Art. 11 lid 2 Terugkeerrichtlijn 2008/115/EG
Verwijzingen
14 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in vervolging ongewenste derdelander

Deze zaak betreft het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam, waarin verdachte werd vervolgd wegens verblijf als vreemdeling terwijl hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard of een inreisverbod had. Het hof vernietigt het vonnis en verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.

De procedure werd beïnvloed door onzekerheid over de reikwijdte van artikel 197 Wetboek Pro van Strafrecht, mede door prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie en daaropvolgende arresten van de Hoge Raad. Het openbaar ministerie besloot in 2018 vrijwel alle zaken onder artikel 197 Sr Pro aan het hof voor te leggen met het verzoek tot niet-ontvankelijkheid, vanwege twijfel over de rechtsgrond en de redelijkheid van voortzetting.

Het hof volgt deze lijn en overweegt dat voortzetting van de vervolging in deze zaak niet opportuun is, mede gelet op het ontbreken van concrete slachtoffers en het verstreken tijdsverloop. Het gelijkheidsbeginsel vereist dat deze zaak op dezelfde wijze wordt behandeld als eerdere vergelijkbare zaken. Daarom wordt het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard.

Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 14 juni 2021, waarbij één rechter verhinderd was mede te ondertekenen.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens verblijf ondanks ongewenstverklaring.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000663-17
datum uitspraak: 14 juni 2021
VERSTEK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 8 februari 2017 in de strafzaak onder parketnummer
13-741004-16 tegen
[verbalisant],
geboren te [geboorteplaats] (Algerije) op [geboortedag] 1970,
zonder bekende woon- of verblijfplaats.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
31 mei 2021.
Namens de verdachte is op 21 februari 2017 hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 3 januari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde en heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.
In de Nederlandse rechtspraktijk heeft er naar aanleiding (het hof begrijpt: in afwachting) van een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie lange tijd onzekerheid bestaan over de reikwijdte van het bepaalde in artikel 197 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr). Daarom heeft het openbaar ministerie in 2018 besloten om (bijna) de gehele voorraad artikel 197 Sr Pro-zaken bij het hof aan te brengen en te vorderen dat het in die zaken niet-ontvankelijk in de vervolging van de betreffende verdachten zou worden verklaard, omdat er twijfel bestond of artikel 197 Sr Pro een basis kon vormen voor vervolging en de behandeling van de zaken – in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad – onredelijk lang zou duren. Het merendeel van deze zaken is in 2019 door het hof behandeld. Het hof heeft de lijn van het openbaar ministerie toen gevolgd. Een kleine hoeveelheid artikel 197 Sr Pro-zaken is op de plank blijven liggen, waaronder de voorliggende zaak. Hoewel de Hoge Raad met zijn op
1 december 2020 gewezen arrest inmiddels duidelijkheid heeft geschapen, brengt het gelijkheidsbeginsel mee dat deze zaak op dezelfde wijze dient te worden afgedaan als de zaken die in mei 2019 zijn behandeld, nu het niet redelijk is dat de vervolging in deze zaak wel zou worden voortgezet. Het openbaar ministerie dient dus ook in deze zaak niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging van de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde.
Het hof overweegt als volgt.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 29 maart 2016 (ECLI:NL:HR:2016:515) in verband met de reikwijdte van artikel 197 Sr Pro een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) over de aanvangstermijn van het inreisverbod, zoals onder meer genoemd in artikel 11, tweede lid, van Terugkeerrichtlijn (Richtlijn 2008/115/EG van het Europees parlement en de Raad van
16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, PbEG 1348/98). Het HvJ EU heeft die vraag bij arrest van 26 juli 2017 (ECLI:EU:C:2017:590) beantwoord, waarna de Hoge Raad in de desbetreffende zaak op 14 november 2017 eindarrest heeft gewezen (ECLI:NL:HR:2017:2862).
In een daarop volgende zaak heeft de Hoge Raad op 27 november 2018 opnieuw een prejudiciële vraag gesteld aan het HvJ EU, eveneens over (artikel 11, tweede lid, van) de Terugkeerrichtlijn in verband met de toepasselijkheid van artikel 197 Sr Pro (ECLI:NL:HR:2018:2192).
De op 27 november 2018 gestelde prejudiciële vraag heeft het HvJ EU bij arrest van 17 september 2020 beantwoord (ECLI:EU:C:2020:724). Naar aanleiding daarvan heeft de Hoge Raad in de desbetreffende zaak op 1 december 2020 eindarrest gewezen (ECLI:HR:2020:1893) en daarin een nadere uitleg over het toepassingsbereik van artikel 197 Sr Pro gegeven.
Naar het hof ambtshalve bekend is, werd de behandeling sinds eerstgenoemd arrest van de Hoge Raad in reeds bij dit hof aanhangig gemaakte zaken tegen zogeheten derdelanders – illegalen die geen burger van de Europese Unie zijn, op wie de Terugkeerrichtlijn van toepassing is en die worden verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan overtreding van artikel 197 Sr Pro – tot voor kort voor onbepaalde tijd aangehouden. Nieuwe zaken zijn in die periode over het algemeen niet bij de strafrechter aangebracht.
Op 25 mei 2019 heeft het hof in een reeks oudere zaken het openbaar ministerie – op daartoe strekkende vordering – niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de betreffende derdelanders ter zake van overtreding van artikel 197 Sr Pro (o.a. ECLI:NL:GHAMS:2019:1736). Ook nadien is het hof die lijn in de betreffende categorie van zaken blijven aanhouden (o.a. ECLI:NL:GHAMS:2020:780).
Artikel 197 Sr Pro is geplaatst in het Tweede Boek, Titel VIII van het Wetboek van Strafrecht: Misdrijven tegen het openbaar gezag. Het hof constateert dat van het in dit artikel strafbaar gestelde misdrijf geen concrete personen slachtoffer (kunnen) zijn. In de voorliggende zaak tegen de verdachte – een derdelander – zijn sinds het tenlastegelegde inmiddels ruim vijf jaren verstreken. Gelet op bovenstaande factoren, in onderling verband bezien, en met name in aanmerking genomen dat het openbaar ministerie – naar in het hiervoor weergegeven standpunt van de advocaat-generaal ligt besloten – zelf van mening is dat met voortzetting van de vervolging redelijkerwijs geen enkel strafrechtelijk belang meer is gediend en voortzetting van die vervolging thans niet opportuun is, zal het hof het openbaar ministerie ten aanzien van het tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het tenlastegelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. C.N. Dalebout en mr. J.J.I. de Jong, in tegenwoordigheid van
mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
14 juni 2021.
Mr. Dalebout is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.