Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Verdere beoordeling
Grief II, die anders betoogt, faalt dus.
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak in hoger beroep tussen [X] B.V. en het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) staat de hoogte van de beslagvrije voet en de inhoudingsverplichting centraal. Het hof verwijst naar eerdere tussenarresten en beoordeelt de actuele stand van zaken op basis van de meest recente gegevens.
LBIO had het bedrag dat [X] over de periode oktober 2018 tot en met december 2021 aan LBIO had moeten betalen gesteld op €27.200,78, terwijl [X] dit bedrag op €8.342,39 stelde. Het verschil wordt veroorzaakt doordat LBIO de beslagvrije voet vanaf april 2020 halveerde vanwege het inwonen van de zoon bij [Y], en uitging van een hoger netto-inkomen van [Y] vanaf januari 2021. Het hof oordeelt dat de halvering van de beslagvrije voet onjuist is omdat de zoon geen eigen inkomsten heeft en dat het lagere inkomen van [Y], zoals door [X] gesteld en onderbouwd, juist is.
Het hof concludeert dat [X] het bedrag van €8.342,39 reeds heeft voldaan en dat er geen verdere inhoudings- of betalingsverplichting meer geldt. Het bestreden vonnis wordt vernietigd voor het dictum onder I en II, bekrachtigd voor de overige onderdelen, en de kosten van hoger beroep worden gecompenseerd zodat partijen ieder hun eigen kosten dragen.
Uitkomst: Het hof stelde het te betalen bedrag door [X] aan LBIO vast op €8.342,39 en vernietigde het bestreden vonnis deels.