ECLI:NL:GHAMS:2020:61

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 januari 2020
Publicatiedatum
15 januari 2020
Zaaknummer
200.269.744/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenarrest in hoger beroep inzake inning onderhoudsbijdragen

In deze zaak heeft appellante, een besloten vennootschap, hoger beroep ingesteld tegen een vonnis in een procedure met het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen als geïntimeerde. Het gerechtshof Amsterdam heeft op 14 januari 2020 een tussenarrest gewezen waarin het een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. Het doel van deze behandeling is het verkrijgen van inlichtingen, het beproeven van een minnelijke regeling en het bespreken van het verdere verloop van het hoger beroep, waaronder mediation, bewijsvoering en rapportage door deskundigen.

Partijen worden verplicht in persoon of via een vertegenwoordiger die bevoegd is tot het aangaan van een schikking, samen met hun advocaten te verschijnen voor de raadsheer-commissaris mr. F.J. Verbeek. Daarnaast is bepaald dat partijen binnen twee weken hun verhinderdagen voor de eerstkomende vier maanden moeten opgeven, waarna de datum van de mondelinge behandeling zal worden vastgesteld. Tevens moet appellante binnen vier weken het volledige procesdossier indienen bij het hof.

De stukken waarop partijen een beroep willen doen, moeten uiterlijk twee weken voor de mondelinge behandeling worden overgelegd aan het hof en de wederpartij. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan totdat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Dit arrest is in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Uitkomst: Het hof gelast een mondelinge behandeling en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.269.744/01
zaaknummer rechtbank : 7584358 CV EXPL 19-5513
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 januari 2020
inzake
[X] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. J.D. van Vlastuin te Veenendaal,
tegen
LANDELIJK BUREAU INNING ONDERHOUDSBIJDRAGEN,
gevestigd te Gouda,
geïntimeerde,
advocaat: mr. R.D. Rischen te Rotterdam.

1.Het geding in hoger beroep

Appellante heeft bij exploot geïntimeerde aangezegd in hoger beroep te komen van een of meer tussen partijen in de onderhavige zaak gewezen vonnissen, met dagvaarding van geïntimeerde voor dit hof.
De zaak is op de rol ingeschreven en geïntimeerde is bij advocaat verschenen.

2.Beoordeling

Het hof ziet aanleiding om een mondelinge behandeling na aanbrengen te gelasten. Het doel is het verkrijgen van inlichtingen, het beproeven van een minnelijke regeling en/of het bespreken van het verdere verloop van het hoger beroep, waarbij onder meer mediation, bewijsvoering en/of rapportage door deskundigen aan de orde kunnen komen. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3.Beslissing

Het hof:
bepaalt dat partijen in persoon respectievelijk, voor zover partijen rechtspersoon zijn, vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en die bevoegd is (door schriftelijke machtiging of anderszins) tot het aangaan van een schikking, tezamen met hun advocaten zullen verschijnen voor het tot raadsheercommissaris benoemde lid van het hof mr. F.J. Verbeek, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam, op een nader te bepalen tijdstip, tot het hiervoor onder 2 omschreven doel;
bepaalt dat partijen binnen 2 weken na heden op de rol van 28 januari 2020 hun verhinderdagen en die van hun advocaten voor de eerstkomende 4 maanden kunnen opgeven, waarna het hof de dag en het tijdstip van de mondelinge behandeling zal vaststellen, in welk geval behoudens klemmende redenen of overmacht geen uitstel van de mondelinge behandeling meer zal worden verleend;
bepaalt dat de datum van de mondelinge behandeling na aanbrengen in het roljournaal vermeld zal worden;
bepaalt dat appellante uiterlijk 4 weken na heden een kopie van het volledige procesdossier (de stukken van de eerste aanleg met inbegrip van de producties en de appeldagvaarding) in tweevoud zal indienen bij het hof (roladministratie – team handel);
bepaalt dat partijen uiterlijk 2 weken vóór de dag van de mondelinge behandeling de stukken waarop zij voor het overige een beroep zouden willen doen, in kopie over zullen leggen door toezending aan het hof (roladministratie – team handel) en de wederpartij;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, J.W. Hoekzema en A.R. Sturhoofd en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.