Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
Bij uitspraak op bezwaar van 21 december 2018 heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
2.Feiten
Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Oordeel van de rechtbank
Beoordeling van het geschil
5.Beoordeling van het geschil
door fiscale motieven gedreven opzet’ indien het uit Duitsland afkomstige inkomen bij uitkering door de tussengeplaatste Nederlandse holding bij de Nederlandse aandeelhouder zal worden belast; eenzelfde situatie doet zich nu in het onderhavige geval voor aldus belanghebbende.
Is sprake van misbruik in de zin van de MDR dan kan belanghebbende geen beroep doen op de verkeersvrijheden, meer specifiek op de vrijheid van kapitaalverkeer. Dit is volgens de inspecteur ook geoordeeld in het arrest T&Y Danmark, overwegingen 121 tot en met 123. Verder wijst de inspecteur erop dat in onderdeel 64 van het arrest Eqiom en Enka is geoordeeld dat de misbruiktoets voor de MDR en het primaire recht dezelfde draagwijdte heeft. De fiscale voordelen van de MDR staan volgens de inspecteur niet open voor activiteiten die louter beleggen inhouden en hij wijst daarbij op de onderdelen 78 en 79 van het arrest T&Y Danmark. Verder wijst de inspecteur op vrijwel dezelfde onderdelen uit het arrest T&Y Danmark als belanghebbende heeft gedaan voor de aanwijzingen van misbruik (onderdelen 97 en 100 tot en met 105). Hij heeft daar echter een andere conclusie aan verbonden, namelijk dat gegeven de feitelijke omstandigheden belanghebbende, zijnde een substance-arme persoonlijke houdstervennootschap, op relevante punten vergelijkbaar is met de in het arrest T&Y Danmark vermelde doorstroomvennootschappen. De criteria die het HvJ aanlegt voor de beoordeling van doorstroomvennootschappen zijn daarom analoog van toepassing op belanghebbende aldus de inspecteur.
In geval er van moet worden uitgegaan dat toch een beroep op de vrijheid van kapitaalverkeer mogelijk is, dan is volgens de inspecteur de misbruiktoets (of sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie) voor deze verkeersvrijheid dezelfde als onder de MDR. Uit HvJ 26 februari 2019, C-135/17, X GmbH, ECLI:EU:C:2019:136, r.o. 81 tot en met 84, leidt de inspecteur af dat de vrijheid van kapitaalverkeer geen lichtere misbruiktoets kent dan de vrijheid van vestiging.
De door een dochteronderneming aan de moedermaatschappij uitgekeerde winst wordt vrijgesteld van bronbelasting”, aangezien de (uiteindelijke) aandeelhouders natuurlijke personen zijn.
102 Entiteiten die hun fiscale woonplaats buiten de Unie hebben, zoals kennelijk het geval is voor de in zaak C‑117/16 aan de orde zijnde vennootschappen en de in zaak C‑116/16 aan de orde zijnde beleggingsfondsen, voldoen niet aan de toepassingsvoorwaarden van richtlijn 90/435. In deze zaken zou het Koninkrijk Denemarken bronbelasting hebben kunnen innen indien de Deense debiteur de dividenden rechtstreeks had uitgekeerd aan de entiteiten die volgens het ministerie van Financiën de uiteindelijk gerechtigden tot deze dividenden waren.”
uit geen enkele bepaling van de moeder-dochter richtlijn volgt dat de fiscale behandeling van personen die een deelneming bezitten in moedermaatschappijen die in de Unie zijn gevestigd of de herkomst van deze personen enige invloed zou hebben op het recht van deze vennootschappen om aanspraak te maken op de belastingvoordelen waarin deze richtlijn voorziet.”
dat de economische activiteit van de niet-ingezeten moedermaatschappij bestaat in het beheren van de activa van haar dochterondernemingen of dat de moedermaatschappij uitsluitend uit dat beheer inkomsten verwerft”. Beide hier vermelde omstandigheden doen zich in geval van belanghebbende niet voor. In hetgeen belanghebbende daarover heeft gesteld vindt het Hof geen aanleiding van die duidelijke bewoordingen van het HvJ af te wijken.
Deze richtlijn vormt geen beletsel voor de toepassing van nationale of verdragsrechtelijke voorschriften ter bestrijding van fraude en misbruiken”. Het HvJ kon toen niet anders dan oordelen dat met deze bepaling geen sprake was van uitputtende harmonisatie aangezien de anti-misbruikbepaling waar het geding op zag louter in het Franse nationale recht was vormgegeven:
“17 Artikel 1, lid 2, van de moeder-dochterrichtlijn beperkt zich immers ertoe de lidstaten de bevoegdheid te laten de nationale of verdragsrechtelijke voorschriften toe te passen die noodzakelijk zijn ter bestrijding van fraude en misbruik. Bijgevolg kunnen dergelijke bepalingen worden getoetst aan het primaire Unierecht.”
Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat de betrokken moedermaatschappij direct of indirect wordt gecontroleerd door een of meerdere ingezetenen van een derde staat. Dienaangaande behoeft slechts te worden opgemerkt dat uit geen enkele bepaling van de moeder-dochterrichtlijn blijkt dat de herkomst van de aandeelhouders van de in de Unie gevestigde vennootschappen van enig belang is voor het recht van deze vennootschappen om aanspraak te maken op de bij deze richtlijn geboden belastingvoordelen.” Naar het oordeel van het Hof doet deze overweging niet af aan de subjectieve toets die in het kader van artikel 4 van Pro de Wet DB is voorgeschreven.
7.7. Beslissing
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.