ECLI:NL:GHAMS:2022:2091

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 juli 2022
Publicatiedatum
19 juli 2022
Zaaknummer
200.277.876/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:314 lid 1 BWArt. 3:306 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis rechtbank en afwijzing vorderingen tot verwijdering bomen

In deze civiele zaak stond de vraag centraal of appellanten gerechtigd waren tot verwijdering van bepaalde bomen die volgens hen te dicht bij de perceelsgrens stonden. Het hof verwees naar een eerder tussenarrest waarin werd geoordeeld dat de situatie met betrekking tot de fruitbomen (bomen 3, 4 en 5) al meer dan twintig jaar bestond en daarmee verjaard was op grond van artikel 3:314 lid 1 en Pro artikel 3:306 BW Pro.

Appellanten kregen de gelegenheid om tegenbewijs te leveren, maar maakten hier geen gebruik van. Hierdoor werd aangenomen dat hun vordering tot verwijdering van de fruitbomen verjaard was en daarom afgewezen. Voor de spar en den (bomen 1 en 2) bevestigde het hof dat de rechtbank de primaire vordering tot verwijdering terecht had afgewezen en ook de subsidiaire vordering tot uitvoering van een snoeiplan door geïntimeerden zal worden afgewezen.

Omdat de vorderingen van appellanten in eerste aanleg terecht waren afgewezen, faalden ook hun grieven tegen de kostenveroordeling. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellanten in de kosten van het hoger beroep, inclusief advocaatkosten en verschotten. Het arrest is op 19 juli 2022 uitgesproken door het hof Amsterdam.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen tot verwijdering van de bomen af wegens verjaring en onvoldoende bewijs.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer: 200.277.876/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland: C/15/286500 / HA ZA 19-227
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 juli 2022
inzake

1.[appellant]

2.
[appellante],
beiden wonend te [woonplaats] ,
appellanten,
advocaat: mr. F.M. Wagener te Alkmaar,
tegen

1.[geïntimeerde 1]

2.
[geïntimeerde 2],
beiden wonend te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. H.B. de Regt te Alkmaar.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna wederom [appellanten] en [geïntimeerden] genoemd.
Het hof heeft op 10 mei 2022 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding in hoger beroep tot die datum wordt naar dat arrest (verder: het tussenarrest) verwezen. Bij het tussenarrest heeft het hof – kort gezegd – [appellanten] gelegenheid gegeven (tegen)bewijs te leveren.
Nadat [appellanten] hadden afgezien van bewijslevering, is wederom arrest gevraagd.

2.Verdere beoordeling

2.1.
In het tussenarrest heeft het hof in het kader van de grieven 1 en 2 ten aanzien van de fruitbomen (bomen 3, 4 en 5) geoordeeld dat deze te dicht bij de perceelsgrens staan, maar dat tot op door [appellanten] te leveren tegenbewijs moet worden aangenomen dat de onrechtmatige toestand met betrekking tot deze bomen op 16 september 2018 al meer dan twintig jaar bestond en dat de vordering van [appellanten] tot verwijdering van deze bomen daarom op grond van de artikelen 3:314 lid 1 en artikel 3:306 BW Pro is verjaard. [appellanten] zijn in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren.
2.2.
Nu [appellanten] van de hun bij het tussenarrest geboden gelegenheid geen gebruik hebben gemaakt, dient het hof ervan uit te gaan dat hun vordering tot verwijdering van de fruitbomen is verjaard. De desbetreffende vordering is dan ook terecht afgewezen, zodat de grieven 1 en 2 (per saldo) geen doel treffen.
2.3.
Met betrekking tot de spar en de den (bomen 1 en 2) heeft het hof in het kader van de grieven 3 tot en met 6 in het tussenarrest geoordeeld dat de (primaire) vordering van [appellanten] tot verwijdering van deze bomen terecht door de rechtbank is afgewezen en dat de (subsidiaire) vordering van [appellanten] tot, kort gezegd, uitvoering door [geïntimeerden] van een door een deskundige vast te stellen snoeiplan met betrekking tot deze bomen, bij het eindarrest zal worden afgewezen.
2.4.
Omdat de conclusie van al het voorgaande is dat de vorderingen van [appellanten] in eerste aanleg terecht zijn afgewezen, faalt ook grief 7, waarmee [appellanten] opkomen tegen de in eerste aanleg ten laste van hen uitgesproken kostenveroordeling.
2.5.
Het bestreden vonnis zal geheel worden bekrachtigd en het door [appellanten] voor het eerst in hoger beroep gevorderde zal worden afgewezen. [appellanten] zullen, als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van deze instantie worden veroordeeld.

3.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 januari 2020 en wijst het voor het eerst in hoger beroep door [appellanten] (subsidiair) gevorderde af;
veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerden] tot op heden begroot op € 432,89 wegens verschotten, op € 3.342,00 wegens salaris van de advocaat en op € 163,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 85,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de veertiende dag na dit arrest tot de dag der voldoening;
verklaart dit arrest ten aanzien van deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, R.J.M. Smit en E.K. Veldhuijzen van Zanten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2022.