Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant]
[appellante],
1.[geïntimeerde 1]
[geïntimeerde 2],
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of appellanten gerechtigd waren tot verwijdering van bepaalde bomen die volgens hen te dicht bij de perceelsgrens stonden. Het hof verwees naar een eerder tussenarrest waarin werd geoordeeld dat de situatie met betrekking tot de fruitbomen (bomen 3, 4 en 5) al meer dan twintig jaar bestond en daarmee verjaard was op grond van artikel 3:314 lid 1 en Pro artikel 3:306 BW Pro.
Appellanten kregen de gelegenheid om tegenbewijs te leveren, maar maakten hier geen gebruik van. Hierdoor werd aangenomen dat hun vordering tot verwijdering van de fruitbomen verjaard was en daarom afgewezen. Voor de spar en den (bomen 1 en 2) bevestigde het hof dat de rechtbank de primaire vordering tot verwijdering terecht had afgewezen en ook de subsidiaire vordering tot uitvoering van een snoeiplan door geïntimeerden zal worden afgewezen.
Omdat de vorderingen van appellanten in eerste aanleg terecht waren afgewezen, faalden ook hun grieven tegen de kostenveroordeling. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellanten in de kosten van het hoger beroep, inclusief advocaatkosten en verschotten. Het arrest is op 19 juli 2022 uitgesproken door het hof Amsterdam.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen tot verwijdering van de bomen af wegens verjaring en onvoldoende bewijs.