Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
- memorie na enquête, door [appellante] ;
- antwoordconclusie na enquête, door Evean.
2.De verdere beoordeling
Ik heb een paar jaar voor meneer en mevrouw [naam 1] gewerkt. Ik deed wel boodschappen voor hen. Niet zo heel veel. Het waren dan kleine dingen, zoals een krentenbol, yoghurt, boter, of brood. Ik heb die boodschappen niet heel vaak bij het winkeltje binnen Evean gedaan. Misschien twee keer, omdat het brood dan beschimmeld was. Mevrouw [naam 1] vond het winkeltje duur. Boodschappen deed ik daarom meestal bij de Albert Heijn. Mevrouw [naam 1] deed de grote boodschappen zelf maar ik haalde wat kleine dingen die ze vergeten was.”en ook
“Als ik boodschappen deed voor mevrouw [naam 1] , dan deed ik dat na mijn werk. Ik nam ze dan de volgende dag mee en gaf ze aan haar. Daarom deed ik die boodschappen alleen wanneer ik twee dagen achter elkaar werkte. Op 5 augustus 2020 hielp ik mevrouw [naam 1] met douchen en aankleden. In de badkamer vroeg ze mij of ik ook de volgende dag werkte. Dat was zo en ze vroeg toen of ik dan voor haar jong belegen kaas en schouderham wilde kopen. Vanuit de badkamer liep ik met haar mee naar het keukentje. Daar stond haar tas op tafel. Zij haalde haar portemonnee daaruit en wilde het geld pakken maar dat lukte niet zo. Ze vroeg of ik het geld eruit wilde halen. Dat deed ik en ik legde het op mijn hand. Zij vroeg: ”Wat zal dat kosten”? Ik zei: “Vijf euro”. Ik had € 5,55 op mijn hand en ze zei: de rest mag je houden want het zal niet precies vijf euro zijn. Wanneer ik boodschappen deed dan liet ik altijd na afloop de bon zien en als er dan geld over was, dan gaf ik dat aan haar terug. Die € 5,55 stopte ik in de zak van mijn vest van Evean. Ik ging toen verder met het ontbijt maken en met de was.”[appellante] heeft als getuige ook verklaard, kort samengevat, dat het binnen Evean gebruikelijk was dat er door personeel voor bewoners boodschappen werd gedaan, ook [naam 7] [naam 8] deed dat. Niemand had haar ooit verteld dat dat niet zou mogen.
Ik was leidinggevende over een gebied van 4 etages. Ik had daar een kantoortje. Dat was vlak naast de teampost. Er werden vaak boodschappen gedaan voor bewoners. Die boodschappen werden dan soms op tafel in de teampost neergelegd en per bewoner verdeeld. Sommige bewoners hadden een rekening bij het interne winkeltje. Sommige bewoners gaven geld mee. Het winkeltje was best duur. Mevrouw [naam 1] vroeg vaak of [appellante]boodschappen voor haar kon doen. Mevrouw [naam 1] kwam dan in haar elektrische rolstoel naar het kantoortje en vroeg dan naar [appellante] . Soms was mevrouw [naam 1] zelf in staat om die boodschappen te doen maar soms ook niet.”In de schriftelijke verklaring van 8 maart 2021 heeft [naam 2] geschreven: “
Ja mevrouw [appellante] deed boodschappen voor mevrouw [naam 1] , omdat ik ook wel eens in de winkel stond en mevrouw [appellante] haalde boodschappen of bij het verdelen van de boodschappen werd er ook gezegd welke boodschappen voor welke bewoner was.”
Voordat dit gebeurde(het overlijden van de heer [naam 1] , hof)
heb ik [appellante] zelf met brood en kaas naar mevrouw [naam 1] zien gaan.”.
Toen mevrouw [naam 1] eind juli 2020 mij vertelde over het geld dat ze regelmatig miste, zei ze erbij dat het haar was opgevallen dat dit gebeurde wanneer ze onder de douche had gestaan en geholpen werd door mevrouw [appellante] . Als detail vertelde ze dat [appellante] als enige haar rollator uit de douche haalde, zodat ze ook niet zonder hulp weg kon uit de douche. Maar, zei mevrouw [naam 1] erbij: het kan bijna niet dat [appellante] dit heeft gedaan, want zowel zij als haar man en hun kinderen waren erg op [appellante] gesteld.
“In de MFR zat ik tegenover [appellante] . Ik zei tegen haar, dit is heel ernstig, je wordt verdacht van diefstal. [appellante] ontkende maar ik zei dat er een heel sterke verdenking was en dat ik graag wilde dat ze haar zakken zou legen. Ze ontkende nog een keer maar leegde toen haar zakken en daar zat het gemarkeerde geld in. Ik had niet alle muntjes in de portemonnee van [naam 1] gemarkeerd maar wat ik gemarkeerd had, legde [appellante] op tafel. Uit de portemonnee ontbrak een bedrag van 5 euro nog wat.
“Tijdens dat gesprek(op 5 augustus 2020, hof
) zei [naam 6]tegen [appellante] dat de muntjes die eerst in de portemonnee van mevrouw [naam 1] zaten, er nu niet meer waren; ”Jij bent de enige die daar is geweest dus jij moet dat hebben gedaan”. [appellante] ontkende twee keer maar erkende het de derde keer, haalde muntjes uit haar zak en legde die op tafel. Er zaten door [naam 6] gemerkte muntjes tussen. Ik weet niet om hoeveel geld dat ging. Ik was flink geschokt. [appellante] zei: ”Ik heb het gedaan” en ze gaf toe dat ze vaker geld van mevrouw [naam 1] had weggenomen.
De praktijk is dat als ik aan het werk ging, dat dan in de agenda stond dat ik voor sommige bewoners boodschappen moest doen. Brood halen, beleg, enz. Ik weet niet of medewerkers ook buiten Evean boodschappen deden. [appellante] deed boodschappen voor mevrouw [naam 1] . Ik heb dat gezien.”Deze verklaring strookt echter niet met die van [appellante] zelf dat zij in het interne winkeltje amper boodschappen deed voor mevrouw [naam 1] , maar dat zij dat na afloop van het werk buiten Evean deed, om de boodschappen dan de volgende dag mee te nemen.
niet (valt) uit te sluiten dat mevrouw [naam 1] wel degelijk over een kwaadaardig motief beschikte om [appellante] doelbewust in de val te lokken.”Verschillende door [appellante] opgeroepen getuigen hebben verklaard dat zij mevrouw [naam 1] hebben horen zeggen dat zij [appellante] verantwoordelijk hield voor het overlijden van haar man. [naam 6] heeft echter als getuige verklaard dat de familieleden van de heer [naam 1] en mevrouw [naam 1] , ‘wel vrede’ hadden met het overlijden van de (oude) heer [naam 1] , en dat mevrouw [naam 1] slechts had geïnformeerd naar de mogelijkheid dat haar man corona had gekregen. Anders dan [appellante] heeft gesuggereerd, is niet komen vast te staan dat mevrouw [naam 1] enig motief heeft gehad om [appellante] , op wie zij zeer gesteld was, valselijk te beschuldigen. Het hof hecht daarom belangrijke waarde aan de verklaring van mevrouw [naam 1] dat zij [appellante] op 5 augustus 2020 niet had verzocht boodschappen voor haar te doen. Dat mevrouw [naam 1] regelmatig over dingen zou hebben geklaagd, zoals door enkele getuigen is verklaard, acht het hof voor de beoordeling van deze zaak verder niet relevant. [appellante] heeft er in haar memorie na enquête op gewezen dat drie (ex)werknemers van Evean mevrouw [naam 1] als manipulatief en onaangenaam omschreven. [appellante] heeft er naar het oordeel van het hof geen afdoende verklaring voor gegeven waarom zij dan toch na werktijd boodschappen voor mevrouw [naam 1] deed.