Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de heffingsambtenaar van een gemeente, welke aanslag werd vernietigd door de rechtbank. De rechtbank wees echter de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase af, omdat de noodzaak tot beroep volgens haar uitsluitend aan belanghebbende te wijten was, aangezien hij pas in beroep een rittenadministratie overlegde die het standpunt van in- en uitstappen ondersteunde.
In hoger beroep stond centraal of de rechtbank terecht de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase had afgewezen en of wettelijke rente over de proceskostenvergoeding en het griffierecht moest worden toegekend indien deze niet tijdig werden vergoed. Het hof stelde vast dat de rechtbank terecht oordeelde dat de noodzaak tot beroep aan belanghebbende te wijten was, omdat hij niet tijdig de relevante informatie had verstrekt.
Het hof oordeelde echter dat de rechtbank ten onrechte niet had beslist op het verzoek om wettelijke rente over de proceskostenvergoeding en het griffierecht. Op grond van het 2018-arrest van de Hoge Raad is wettelijke rente verschuldigd vanaf vier weken na de uitspraakdatum indien niet tijdig wordt betaald.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het niet besliste op het verzoek om wettelijke rente, wees dit verzoek toe, veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van wettelijke rente over het totaalbedrag van €579, en legde tevens proceskostenveroordeling voor het hoger beroep op van €189,75 met wettelijke rente bij niet tijdige betaling. Tevens werd het door belanghebbende betaalde griffierecht van €134 terugbetaald met wettelijke rente bij verzuim.
De uitspraak werd gedaan door de vierde meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 6 december 2022.