Belanghebbende exploiteert het concept 'Boxx on wheels', waarbij verplaatsbare houten inboedelboxen worden verhuurd en opgeslagen in een opslagloods waar huurders geen directe toegang toe hebben. De vraag was of deze diensten vrijgesteld zijn van omzetbelasting op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Wet OB, dat verhuur van onroerend goed betreft.
De rechtbank had de naheffingsaanslagen omzetbelasting voor de jaren 2014 tot en met 2017 bevestigd en de beroepen ongegrond verklaard. Belanghebbende ging in hoger beroep en stelde dat de huurders exclusief gebruik hebben van een afgebakend deel van een onroerende zaak, namelijk de ruimte die door de inboedelbox wordt afgebakend.
Het Hof oordeelde dat de inboedelboxen roerend zijn en niet als integrerend deel van het gebouw kunnen worden beschouwd. Huurders hebben geen exclusief recht op het deel van de opslagloods waar de boxen staan, aangezien zij geen toegang hebben tot de opslagloods zelf en de boxen op een door belanghebbende bepaalde plek worden opgeslagen. Daarnaast verleent belanghebbende aanvullende diensten met commerciële waarde, zoals transport en in- en uitladen, die niet passen bij de passieve verhuur van onroerend goed.
Daarom is de dienst geen verhuur van onroerend goed en is de omzetbelasting terecht naheengelegd. Wel vernietigde het Hof de boetebeschikkingen. Het Hof veroordeelde de inspecteur tot betaling van proceskosten aan belanghebbende en bepaalde dat het griffierecht voor hoger beroep aan belanghebbende wordt vergoed.