ECLI:NL:GHAMS:2023:1691
Gerechtshof Amsterdam
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Tussenarrest over ontvankelijkheid openbaar ministerie en redelijke termijn in strafzaak verduistering
In deze strafzaak tegen verdachte wegens verduistering in dienstbetrekking heeft het hof een tussenarrest gewezen over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en de overschrijding van de redelijke termijn. De raadsman voerde aan dat het opsporingsonderzoek niet aan de wettelijke waarborgen voldeed en dat de redelijke termijn zodanig was overschreden dat het proces niet eerlijk was.
Het hof oordeelde dat het opsporingsonderzoek, gestart na een aangifte van de stichting op basis van een onderzoek door een extern bedrijf, voldoende grondslag had en dat de wettelijke waarborgen waren nageleefd. Het enkele feit dat de verdachte slechts eenmaal is verhoord, doet hieraan niet af. Ook vond het hof geen vormverzuim in het vooronderzoek.
Ten aanzien van de redelijke termijn stelde het hof vast dat deze pas begon te lopen op het moment dat de verdachte duidelijk werd gemaakt dat vervolging zou plaatsvinden, namelijk bij de betekening van de oproeping voor de terechtzitting in eerste aanleg. De overschrijding van de redelijke termijn was aanwezig maar niet zodanig uitzonderlijk dat de waarheidsvinding in het gedrang kwam.
Het hof concludeerde dat het proces als geheel eerlijk was in de zin van artikel 6 EVRM Pro en verklaarde het openbaar ministerie ontvankelijk. Het onderzoek werd heropend, vervolgens geschorst en de hervatting van het onderzoek ter terechtzitting gelast op een nader te bepalen datum.
Uitkomst: Het hof verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk en heropent het onderzoek, dat wordt geschorst en op een later tijdstip wordt voortgezet.