De erven van een overleden persoon hebben hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland over de hoogte van het in aanmerking te nemen maximum premie-inkomen voor het jaar 2017. De kern van het geschil betreft de vraag of het maximum premie-inkomen tijdsevenredig moet worden herleid omdat de premieplichtige in dat jaar is overleden en daardoor niet het gehele jaar premieplichtig was.
De inspecteur van de Belastingdienst had het maximum premie-inkomen vastgesteld op het volledige bedrag, zonder tijdsevenredige verlaging, omdat de regelgeving expliciet het geval van overlijden uitsluit van de tijdsevenredige herleiding. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en het Gerechtshof bevestigt deze uitspraak.
Het hof overweegt dat de rechter niet bevoegd is om de innerlijke waarde of billijkheid van de regelgeving te toetsen en dat de regeling niet in strijd is met algemene rechtsbeginselen of internationale verdragsbepalingen zoals het EVRM. De tijdsevenredige verlaging is volgens de toelichting beperkt tot migratiegevallen waarbij dubbele premieheffing kan optreden, wat bij overlijden niet het geval is.
De erven stelden dat de heffing onrechtvaardig is en in strijd met het vrije verkeer van werknemers en het EVRM, maar deze stellingen zijn door het hof verworpen. Het hof benadrukt dat de situatie van een werknemer die onder Nederlandse sociale verzekeringswetgeving valt en overlijdt gelijk wordt behandeld, ongeacht of deze in Nederland of in het buitenland werkzaam was met een A1-verklaring.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.