In deze bestuursrechtelijke zaak betrof het hoger beroep tegen uitspraken van de rechtbank Amsterdam over WOZ-waarden en onroerendezaakbelasting voor meerdere jaren en locaties. De heffingsambtenaar had aanslagen en beschikkingen vastgesteld op naam van een bedrijf, terwijl appellant beroep instelde op eigen naam. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond.
Appellant stelde hoger beroep in, maar het hof oordeelde dat appellant niet het recht had om op eigen naam beroep in te stellen omdat de uitspraken op bezwaar niet aan hem waren gericht. Dit volgt uit artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ondanks dat de rechtbank appellant als procespartij had aangemerkt en griffierecht voor natuurlijke personen had geheven, ontbrak het aan belang bij appellant.
Het hof wees erop dat appellant noch de rechtbank noch het hof op tijd heeft gewezen op het ontbreken van belanghebbende status, en dat zijn gemachtigde ter zitting bevestigde namens appellant te procederen. Omdat appellant niet gerechtigd was beroep in te stellen, had de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het hof bevestigde daarom de uitspraken van de rechtbank en wees de schadevergoedingsverzoeken wegens overschrijding van de redelijke termijn af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.