Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Beoordeling
(…)
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een hoger beroep van Dexia Nederland B.V. tegen de echtgenote van een afnemer van effectenleaseovereenkomsten. De echtgenote had de leaseovereenkomsten vernietigd op grond van artikel 1:88 en Pro 1:89 BW, omdat zij geen toestemming had gegeven voor het aangaan ervan. Dexia betwistte de stuiting van de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling door brieven van Leaseproces, die namens de echtgenote en andere cliënten waren verzonden.
Het hof stelt vast dat de feiten niet in geschil zijn en bevestigt dat de leaseovereenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd door de echtgenote. De verjaringstermijn van vijf jaar is volgens het hof tijdig gestuit door de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016, ondanks de betwisting van Dexia over de volmacht van Leaseproces. Dexia had immers niet tijdig om bewijs van volmacht gevraagd, waardoor het beroep op artikel 3:71 BW Pro faalt.
Het hof oordeelt dat de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling door de echtgenote is gestuit en dat Dexia gehouden is tot terugbetaling van de betaalde bedragen. Het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd en Dexia wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bevestigt de vernietiging van de leaseovereenkomst en oordeelt dat de verjaring van de vordering tijdig is gestuit, waardoor Dexia gehouden is tot terugbetaling.