ECLI:NL:GHAMS:2025:3055
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontbinding huurovereenkomst wegens niet-betwiste tekortkomingen huurder na herstelwerkzaamheden
In deze zaak huurde appellant sinds 1996 een woning van Stichting Ymere. In 2021 moest appellant de woning verlaten vanwege herstelwerkzaamheden die Ymere uitvoerde na vastgestelde gebreken. Appellant keerde niet terug omdat hij vond dat de woning onbewoonbaar was en stopte met huurbetaling. De kantonrechter oordeelde dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat de woning onbewoonbaar was en dat zijn tekortkomingen de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigden.
Het hof bevestigt dit oordeel. Uit inspecties van de Huurcommissie en de gemeente bleek dat de woning na herstelwerkzaamheden aan het Bouwbesluit voldeed. Appellant leverde slechts eigen observaties en video-opnames, zonder deskundige onderbouwing. Zijn stelplicht en bewijslast om de onbewoonbaarheid aan te tonen, werden niet voldoende vervuld.
Het hof overweegt dat de belangenafweging, waarbij het belang van de sociale verhuurder om de woning beschikbaar te krijgen zwaarder weegt dan het belang van appellant om de woning te behouden, ontbinding rechtvaardigt. De vorderingen van appellant worden afgewezen, behalve dat het hof de beslissing over proceskosten aanhoudt vanwege een prejudiciële vraag over de geldigheid van het proceskostenbeding.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ontbinding van de huurovereenkomst wegens tekortkomingen van de huurder en houdt de beslissing over proceskosten aan.