ECLI:NL:GHAMS:2025:3228

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
200.360.049
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing verzoek dwangakkoord op basis van artikel 287a Fw

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van de appellant tegen de afwijzing van zijn verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord op basis van artikel 287a van de Faillissementswet (Fw). De appellant had eerder een verzoek ingediend bij de rechtbank Amsterdam, dat op 30 september 2025 werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat het aanbod van de appellant aan de schuldeisers niet het uiterste was waartoe hij financieel in staat was. De appellant heeft zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ingetrokken, waardoor hij ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Tijdens de zitting op 18 november 2025 heeft de advocaat van de appellant het beroepschrift toegelicht, waarbij werd verzocht om het vonnis van de rechtbank te vernietigen en het dwangakkoord alsnog toe te wijzen. Het hof heeft vastgesteld dat de appellant een schuldenlast heeft van € 39.460,25, waarvan hij 2,01% aan zijn schuldeisers heeft aangeboden. De rechtbank had overwogen dat de appellant mogelijk in de toekomst beter in staat zou zijn om zijn schulden af te lossen, wat de reden was voor de afwijzing van het verzoek. Het hof concludeert dat de appellant niet voldoende heeft aangetoond dat zijn aanbod het uiterste is waartoe hij financieel in staat is, en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.360.049/01
zaaknummer rechtbank : C/13/773992 FT RK 25.740
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 november 2025
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. C.C.W. Plaat te Ede,
tegen
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
niet verschenen.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij op 8 oktober 2025 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift, met bijlage, in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 september 2025, waarbij zijn verzoek om [geïntimeerde] op de voet van artikel 287a van de Faillissementswet (Fw) te bevelen in te stemmen met de door hem aangeboden schuldregeling, is afgewezen.
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 18 november 2025. Bij die behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Plaat voornoemd, die het beroepschrift mondeling heeft toegelicht. Namens [geïntimeerde] is niemand ter zitting verschenen.
Het hof heeft kennisgenomen van het beroepschrift met bijlage, het dossier van de rechtbank waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, en de namens [appellant] - op 12 november 2025 en 17 november 2025 - ingediende stukken. [appellant] heeft desgevraagd verklaard over de genoemde stukken te beschikken. [appellant] heeft tijdens de zitting nog een aantal schriftelijke sollicitatiebescheiden overgelegd.
Ter zitting heeft de advocaat van [appellant] desgevraagd verklaard dat het petitum in het beroepschrift aldus moet worden begrepen, dat het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 september 2025 moet worden vernietigd en dat, opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde] alsnog zal worden bevolen in te stemmen met de door [appellant] aangeboden schuldregeling (inhoudende dat de drie schuldeisers van [appellant] tegen betaling van 2,01% van hun uitstaande vorderingen, aan [appellant] finale kwijting verlenen voor zijn resterende schuld van € 39.460,25).
Ten slotte heeft het hof kennisgenomen van een door de advocaat van [appellant] op 20 november 2025 ingediend e-mailbericht van 18 november 2025 van de griffier van de rechtbank Amsterdam waarin wordt bevestigd dat het onder zaaknummer C/13/773991 FT RK 25.739 bekende verzoek strekkende tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling is ingetrokken.

2.Beoordeling

Ontvankelijkheid
2.1
[appellant] heeft in eerste aanleg gelijktijdig met het verzoekschrift strekkende tot het opleggen van een dwangakkoord in de zin van artikel 287a Fw een verzoekschrift ingediend tot het van toepassing verklaren van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: het toelatingsverzoek). In het bestreden vonnis van 30 september 2025 heeft de rechtbank, die ter gelegenheid van de op 23 september 2025 gehouden mondelinge behandeling eerst het verzoek tot het opleggen van een gedwongen schuldregeling heeft behandeld, onder 5.6. overwogen dat op het gehandhaafde toelatingsverzoek bij afzonderlijk vonnis zal worden beslist. Gelet op het bepaalde in artikel 292 derde lid Fw zoals uitgelegd door de Hoge Raad dient in een dergelijk geval appellant bij handhaving van het toelatingsverzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord (zie HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0966), ook wanneer de beslissing op het toelatingsverzoek door de rechtbank is aangehouden (zie HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:859).
2.2
Ter zitting heeft [appellant] verklaard dat hij het toelatingsverzoek wil intrekken. Het hof heeft daarop beslist het onderhavige beroep tegen de afwijzing van het verzoek om een dwangakkoord inhoudelijk ter zitting te zullen behandelen, zij het onder de nadrukkelijke voorwaarde dat mr. Plaat uiterlijk op 20 november 2025 een schriftelijke bevestiging van de rechtbank aan de griffie van dit hof zou doen toekomen van de intrekking van het toelatingsverzoek. Uit een op 18 november 2025 bij het hof ingekomen e-mailbericht van de griffier van de rechtbank Amsterdam blijkt dat het toelatingsverzoek met zaaknummer C/13/773991 FT RK 25.739 is ingetrokken. Dit betekent dat [appellant] ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek om [geïntimeerde] te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
De aangeboden schuldregeling
2.3
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep gaat het hof uit van de volgende feiten. [appellant] heeft - voor zover bij het hof bekend - een totale, op 10 juli 2025 nog resterende, schuldenlast van € 39.460,25 verdeeld over drie schuldeisers. De aangeboden regeling houdt in dat de schuldeisers tegen betaling van 2,01% van hun uitstaande vorderingen akkoord gaan met finale kwijting van de resterende schuld. Het aanbod van [appellant] is gebaseerd op een door hem ontvangen uitkering op basis van de Participatiewet. Alle schuldeisers hebben dat aanbod aanvaard behalve [geïntimeerde] . De thans nog resterende vordering van [geïntimeerde] bedraagt € 6.903,56 hetgeen neerkomt op 17,49% van de totale schuldenlast. Wat betreft het ontstaan van deze vordering stelt [appellant] dat [geïntimeerde] de ontruimingskosten op hem heeft verhaald, omdat hij tijdens zijn verblijf in [plaats 3] zijn huurwoning in Amsterdam had onderverhuurd zonder toestemming van [geïntimeerde] .
2.4
De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] om [geïntimeerde] te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldenregeling afgewezen, omdat het aanbod van [appellant] aan de schuldeisers niet het voor hem maximaal haalbare is. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - het volgende overwogen. Op voorhand valt niet uit te sluiten dat [appellant] binnen de looptijd van een schuldenregeling - minnelijk of wettelijk - van 18 maanden betaald werk zal vinden. [appellant] verkeert in goede gezondheid en solliciteert regelmatig. Wellicht dient [appellant] buiten zijn vakgebied solliciteren, aangezien het hem eerder ook is gelukt om betaald werk als chauffeur te vinden. Mocht [appellant] een baan vinden, dan kan hij de schuldeisers mogelijk een aanzienlijk beter aanbod doen dan nu het geval is. Verder weegt de rechtbank mee dat verzoeker na het ontstaan van de schulden aan de gemeente en de ABN AMRO naar het buitenland is vertrokken, zonder naar zijn schulden om te kijken. Tijdens zijn verblijf in [plaats 3] is de schuld aan [geïntimeerde] is ontstaan. Ook hierop heeft [appellant] tijdens de circa tien jaar dat hij in [plaats 3] woonde en werkte niets afgelost. Onder de gegeven omstandigheden kan [geïntimeerde] dan ook in redelijkheid niet worden gedwongen genoegen te nemen met een aanbod dat slechts 2,01% van haar vordering inhoudt, aldus steeds de rechtbank.
2.5
[appellant] heeft in het beroepschrift verzocht om het bestreden vonnis te vernietigen en het gevraagde dwangakkoord alsnog toe te wijzen. Daartoe heeft [appellant] - kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang - het volgende aangevoerd.
De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat vanwege het feit dat hij in goede gezondheid verkeert niet op voorhand valt uit te sluiten dat hij binnen de termijn van een schuldenregeling betaald werk zal vinden en daarmee schuldeisers mogelijk een beter aanbod kan doen dan nu. Gelet op de huidige leeftijd van 66 jaar is het vrijwel onwaarschijnlijk en valt niet te verwachten dat hij nog een baan krijgt waarmee hij een inkomen kan verwerven dat hoger is dan zijn huidige uitkering. Zijn regelmatige sollicitatieactiviteiten hebben hem geleerd dat zijn leeftijd telkens een afwijzingsgrond vormt voor banen in zijn branche (fotografie en journalistiek). [appellant] stelt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij naar [plaats 3] zou zijn vertrokken zonder naar zijn schulden om te kijken. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] dan ook niet in redelijkheid tot weigering van instemming met de door hem aangeboden schuldregeling kunnen komen. Daarbij komt dat de vordering van [geïntimeerde] slechts circa 17% van de totale schuld van [appellant] bedraagt, dat twee van de drie schuldeisers - en daarmee een meerderheid - zich wel akkoord hebben verklaard met de door [appellant] aangeboden schuldregeling en dat, vanwege de hieraan verbonden kosten, toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling minder voor de schuldeisers zal opleveren dan de door [appellant] aangeboden schuldregeling.
2.6
Bij de beoordeling van het verzoek tot het opleggen van een gedwongen schuldregeling stelt het hof voorop dat dit verzoek slechts kan worden toegewezen indien [geïntimeerde] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat [geïntimeerde] heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van [appellant] of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Uitgangspunt daarbij is dat het elke schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt voldaan en dat een schuldeiser slechts onder zeer bijzondere omstandigheden - die misbruik van bevoegdheid opleveren - kan worden gedwongen in te stemmen met een door de schuldenaar aangeboden akkoord (vgl. HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7799). Verder dient voldoende duidelijk te zijn gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht.
2.7
Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] niet, althans onvoldoende, duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe hij financieel in staat moet worden geacht. Naar uit de door [appellant] ter zitting in hoger beroep overgelegde kopieën van sollicitatiebescheiden volgt, heeft [appellant] in de periode van januari 2025 tot heden alleen gesolliciteerd op functies in zijn vakgebied fotografie. De uit het slot van 2.6 voortvloeiende inspanningsverplichting brengt met zich dat [appellant] zo breed mogelijk dient te solliciteren naar betaald werk. De omstandigheid dat werk in de fotografie het meest bij hem past, leidt niet tot een ander oordeel. [appellant] heeft verder niet onderbouwd dat hij bij het accepteren van ander of eenvoudiger werk minder zal verdienen dan dat hij nu aan uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt. Dat [appellant] de zorg draagt voor zijn jonge gezin ontslaat hem niet van de verplichting om zich in te spannen om meer inkomsten te vergaren en daarmee een hoger bedrag te sparen voor zijn schuldeisers.
2.8
Tot slot is het hof van oordeel dat van bijzondere omstandigheden als bedoeld onder 2.6 niet is gebleken. Als gevolg hiervan kan niet worden gezegd dat [geïntimeerde] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. In het licht van het voorgaande zijn de omstandigheden dat de vordering van [geïntimeerde] slechts circa 17% van de totale schuld van [appellant] bedraagt, dat twee van de drie schuldeisers en daarmee een meerderheid zich wel akkoord heeft verklaard met de door [appellant] aangeboden schuldregeling en dat, vanwege de hieraan verbonden kosten, toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling minder voor de schuldeisers zal opleveren dan de door [appellant] aangeboden schuldregeling zijn, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen.
2.9
Dit leidt ertoe dat het vonnis van de rechtbank zal worden bekrachtigd.

3.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, M.L.D. Akkaya en K. van Dijk en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.