ECLI:NL:GHAMS:2025:3228
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging afwijzing verzoek dwangakkoord wegens onvoldoende uiterste aanbod schuldenaar
Appellant kwam in hoger beroep tegen de afwijzing van zijn verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord op grond van artikel 287a Faillissementswet. Omdat appellant het gelijktijdig aanhangige verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling had ingetrokken, werd hij ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
Het geschil betrof een schuldregeling waarbij appellant aan drie schuldeisers finale kwijting bood tegen betaling van 2,01% van hun vorderingen, terwijl één schuldeiser, geïntimeerde, niet instemde met het aanbod. De rechtbank wees het verzoek af omdat het aanbod niet het uiterste was wat appellant financieel kon bieden, mede gelet op zijn goede gezondheid, regelmatige sollicitaties en het feit dat hij eerder betaald werk als chauffeur had gevonden.
Appellant voerde aan dat zijn leeftijd van 66 jaar en sollicitatie-ervaringen de verwachting van betaald werk onwaarschijnlijk maakten en dat geïntimeerde niet in redelijkheid kon weigeren. Het hof oordeelde echter dat appellant onvoldoende had aangetoond dat hij het uiterste aanbod had gedaan, omdat hij zich onvoldoende inspande om breed te solliciteren en niet had onderbouwd dat ander werk minder oplevert dan zijn uitkering.
Ook bleken geen bijzondere omstandigheden aanwezig die geïntimeerde konden dwingen in te stemmen met het akkoord. Het hof bekrachtigde daarom het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek tot dwangakkoord af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot oplegging van het dwangakkoord af omdat het aanbod niet het uiterste is waartoe appellant financieel in staat is.