In deze zaak vordert de vrouw op grond van artikel 843a Rv (oud) dat de man diverse financiële stukken en opgaven overlegt in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap na echtscheiding. De rechtbank heeft de man veroordeeld tot afgifte van deze stukken, onder dreiging van een dwangsom. De man komt hiertegen in hoger beroep en voert aan dat hij niet heeft willen tegenwerken en dat sommige gevorderde stukken niet bestaan.
Het hof stelt vast dat de vrouw onvoldoende concreet heeft aangetoond dat de gevorderde stukken daadwerkelijk bestaan of dat de man deze nog in bezit heeft. De stukken die zij aandraagt dateren van jaren voor de peildatum en betreffen ondernemingen die volgens de man handelsnamen waren en niet meer bestaan. Ook de opgaven van onroerend goed en vermogen in Marokko zijn onvoldoende onderbouwd.
Het hof oordeelt dat de vrouw onvoldoende rechtmatig belang heeft bij de vordering tot inzage en vernietigt het vonnis van de rechtbank. De vordering wordt afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd. Tevens wijst het hof het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging af omdat het arrest in de hoofdzaak is gewezen.